AMSTERDAM - Wielrenners rijden graag uit de wind achter de renner op kop om krachten te sparen, maar de voorste renner heeft ook voordeel van de volgers: hij ondervindt 2,5 procent minder luchtweerstand dan een eenzame fietser

Dit blijkt uit onderzoek van Bert Blocken, hoogleraar aan de Technische Universiteit Einhoven dat binnenkort wordt gepubliceerd en woensdag 7 maart al wordt belicht in het tv-programma Labyrint.

Het onderzoeksteam testte verschillende fietshoudingen in windtunnels door gebruik te maken van 115 drukmeters op zowel echte mensen als dummies. Hierop lieten de onderzoekers een rekenmodel los met een grote nauwkeurigheid: het berekent de wind in stapjes van 0,0003 seconden op stukjes van 0,014 millimeter groot.

De uitkomst laat niet alleen zien dat ook de voorste renner energie bespaart, het toont ook aan dat de een-na-laatste renner het beste af is. Dit geldt overigens niet altijd: tot en met een rijtje van vier heeft de achterste renner het meeste voordeel.

Luchtweerstand

De wetenschappelijke verklaring voor het effect is dat een achtervolger zorgt voor een verlaging van de onderdruk achter de rijder op kop, daardoor 'zuigt' de lucht minder hard aan de voorganger.

Om 2,5 procent afname in luchtweerstand te krijgen bij de man op kop, moet de afstand tussen de renners rond de 15 centimeter bedragen bij een snelheid van 54 kilometer per uur. Dat is ongeveer de topsnelheid van een sprint bij een licht oplopend parcours of tijdens een ploegentijdrit. Als de renners een meter uit elkaar rijden, is het voortstuwende effect van de achtervolgende renner nog maar 0,6 procent.

Volgens Blocken toont het onderzoek aan dat met z'n tweeën rijden altijd voordeel oplevert voor beide renners, ook als een van beiden weigert kopwerk te doen. Het voordeel voor de volger IS wel veel groter: die heeft 34 procent minder energie nodig dan een eenzame fietser.