UTRECHT – Dankzij prehistorische nomadenstammen wisten de oudste Europese en Aziatische culturen zich aan elkaar op te trekken. Zo leerden ze brons te maken en paarden te temmen.

Bij de ruitervolken van de Euraziatische steppen wordt vaak een beeld geschetst van ‘bandieten’, die met hun mobiliteit militair voordeel hadden, en zo gevestigde beschavingen grote schade konden berokkenen.

Maar dat beeld is onjuist, stelt antropoloog Michael Franchetti, van de Universiteit van Washington.

In zijn publicatie in het vakblad Current Anthropology beweert Franchetti dat de prehistorische steppebewoners van Eurazië juist essentieel waren om een hogere beschavingsgraad te ontwikkelen.

Kazachstan

Hij voert als bewijs enkele doorbraken in de menselijke ontwikkeling aan, die zo’n vijfduizend jaar geleden geschiedden. Mensen wisten toen al op paarden over de vlakten van de Oekraïne, Kazachstan en bijvoorbeeld Mongolië te trekken.

Daarmee verbonden de nomadenstammen sedentaire culturen langs zeekusten, zoals prehistorische samenlevingen in China, de Indusvallei, Perzië en bijvoorbeeld Griekenland. Deze culturen werden aanvankelijk niet direct verbonden, maar sloten wel aan op een doorlopend netwerk van nomadische buurstammen.

Zijderoute

Stapje voor stapje gaven deze stammen nuttige informatie aan elkaar door, zo denkt Franchetti, zoals technieken voor metaalbewerking of bijvoorbeeld de bouw van rijtuigen. Pas duizenden jaren later kwam er met de zijderoutes direct contact tussen de verschillende kusten.