AMSTERDAM - De knutten die de ziekte blauwtong tijdens de epidemie van 2006 verspreidden, transporteerden de ziekte actief, dus onafhankelijk van de windrichting.

Tot die conclusie kwamen wetenschappers van de Britse Universiteit van Oxford deze week in het tijdschrift Proceedings of the Royal Society B.

Voorheen werd gedacht dat de ziekte verspreid werd door knutten - kleine, mugachtige steekvliegjes - die door de wind meegevoerd werden, maar een analyse van de uitbraak van 2006 laat zien dat de knutten in veertig procent van de gevallen de ziekte actief verspreidden.

Symptomen

De ziekte blauwtong is niet direct overdraagbaar, wat inhoudt dat er een ander dier nodig is om de ziekte over te dragen, in dit geval dus de knut. Blauwtong komt meestal bij schapen voor, maar ook bij andere herkauwers.

De mens is niet ontvankelijk voor de ziekte. Naast de kenmerkende blauwe tong die de ziekte veroorzaakt, heeft het besmette dier onder andere last van kwijlen, een gezwollen nek en verhoging van de lichaamstemperatuur. Ongeveer tien procent van de besmette dieren overlijdt aan de ziekte.

Implicaties

“Dit is de eerste keer dat we met zekerheid kunnen zeggen dat knutten op eigen kracht zowel tegen als voor de wind gereisd hebben tijdens deze epidemie,” vertelt Luigi Sedda van de Oxfordse Zoölogie-faculteit. “Dit heeft belangrijke implicaties met betrekking tot het controleren van toekomstige epidemieën, vooral omdat voorgaande pogingen tot het indammen vooral gericht waren op de benedenwindse richting van de wind.”

Het onderzoek had betrekking op Noord-Europa (Frankrijk, België, Nederland, Duitsland en Luxemburg). Bijna veertig procent van de verplaatsingen van de knutten tijdens de uitbraak konden aan eigen activiteit geweten worden, zowel tegenwind als willekeurige verplaatsingen, die invloed hadden op de verspreiding van de infectie.

Statistische kennis

Het onderzoeksmodel kan 94 procent van de 2000 uitbraken verklaren. Sommige boerderijen waren de bron van besmetting tot wel vijftien andere boerderijen, terwijl het grootste deel van de boerderijen, 70 procent, geen andere boerderijen infecteerde.

De statistische kennis die hiermee opgedaan is kan in de toekomst helpen verspreiding van te voren beter in kaart te brengen en op die manier beter beleid te maken.