AMSTERDAM - Het is astronomen gelukt om, met behulp van de Hubble-ruimtetelescoop, de hete materieschijf rond een superzwaar zwart gat in een ver sterrenstelsel in beeld te brengen.

Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van het zogeheten gravitatielenseffect, waarmee niet alleen de grootte van de materieschijf kon worden gemeten, maar ook zijn temperatuurverdeling in kaart kon worden gebracht.

Zwarte gaten zenden geen waarneembare straling uit, maar oefenen wel een grote aantrekkingskracht uit op hun omgeving. Hierdoor zijn veel van deze objecten omringd door een schijf van gloeiendhete materie die wél een bron van intense straling kan zijn.

Quasarlicht

Bij de superzware zwarte die in de kernen van sterrenstelsels worden aangetroffen, zijn deze materieschijven ruwweg honderd miljard kilometer groot. Maar omdat zij vaak honderden miljoenen of miljarden lichtjaren van ons verwijderd zijn, zijn ze normaal gesproken veel te klein om met een telescoop waarneembaar te zijn.

Bij hun waarnemingen van de kern van zo'n ver sterrenstelsel, de quasar HE 1104-1805, zijn de astronomen nu door het toeval geholpen. Tussen die kern en de aarde bevindt zich een ander sterrenstelsel, waarvan de afzonderlijke sterren het quasarlicht met hun zwaartekracht op allerlei subtiele manieren afbuigen.

Doordat deze sterren zich langzaam verplaatsen, fungeren ze als het ware als een soort scanner die de verschillende delen van de quasar 'aftast'. Op die manier kon de temperatuurverdeling in de materieschijf rond het zwarte gat worden gemeten. Dat is van belang omdat de materie heter is naarmate zij zich dichter bij het zwarte gat bevindt. De aldus verkregen temperatuurverdeling kan worden gebruikt om een schatting te maken van de middellijn van de materieschijf, die in dit geval 100 tot 300 miljard kilometer bedraagt.