AMSTERDAM - Een team astronomen van het Max-Planck-Institut für Astronomie (MPIA) heeft een techniek ontwikkeld om de massa's van verre sterrenstelsels te bepalen.

De nieuwe methode belooft meer inzicht te zullen geven in de evolutie van sterrenstelsels en de superzwarte gaten die zich in hun kernen bevinden.

De eerste resultaten wijzen erop dat zich in het leven van de meeste sterrenstelsels de laatste negen miljard jaar weinig schokkends heeft afgespeeld.

Een van de opmerkelijke astronomische ontdekkingen van de laatste decennia is dat de meeste sterrenstelsels een superzwaar zwart gat in hun kern hebben, en dat de massa's van die zwarte gaten een directe relatie vertonen met de massa van het omringende stelsel.

Voor niet al te grote afstanden laat die relatie zich gemakkelijk onderzoeken, maar op afstanden van meer dan vijf miljard lichtjaar schieten de gebruikelijke meetmethoden tekort.

Centrum

Onderzoekers van het MPIA zijn er nu echter in geslaagd om één klap de massa van een sterrenstelsel op een afstand van bijna negen miljard lichtjaar en de massa van zijn centrale zwarte gat te meten. Het achterliggende principe is eenvoudig: de sterren en gaswolken in een sterrenstelsel draaien om het centrum daarvan.

De snelheden waarmee ze dat doen, laten zich spectroscopisch meten, en uit de meetgegevens kan zowel de totale massa van het stelsel als die van het zwarte gat worden afgeleid.

J090543.56+043347.3

In de praktijk vergt deze methode het uiterste van de beschikbare meetinstrumenten, maar in het geval van het actieve sterrenstelsel J090543.56+043347.3 is het gelukt. Het stelsel en zijn centrale zwarte gat vertonen dezelfde massaverhouding als nabijere stelsels. H

et lijkt er dus op dat er in dit opzicht de laatste negen miljard jaar weinig ontwikkelingen zijn geweest in het heelal, al zullen meer verre sterrenstelsels onderzocht moeten worden om daar zekerheid over te krijgen.