AMSTERDAM - Astronomen van het Niels Bohr Instituut in Kopenhagen hebben een nieuwe methode gevonden om afstanden in het heelal te bepalen.

Voor ver verwijderde sterrenstelsels maken sterrenkundigen gewoonlijk gebruik van de zogeheten roodverschuiving in het licht van de stelsels om een ruw idee van de afstand te verkrijgen - de roodverschuiving is een directe maat voor de tijd dat het licht van het stelsel onderweg is geweest naar de aarde, in het uitdijende heelal.

Een onafhankelijke afstandsbepaling is echter nodig om de uitdijingsgeschiedenis van het heelal te achterhalen.

Metingen aan supernova's in verre sterrenstelsels leidden op die manier in 1998 tot de ontdekking van de mysterieuze donkere energie.

Verband

De Deense sterrenkundigen hebben nu een vrij nauwkeurig verband gevonden tussen de energieproductie van een quasar (de energierijke kern van een ver verwijderd sterrenstelsel dat een superzwaar zwart gat herbergt) en de afmetingen van het omringende gebied waarin zich snel bewegende, hete gaswolken bevinden.

De afmetingen van dat gebied, dat gekenmerkt wordt door brede emissielijnen in het spectrum, volgt direct uit metingen aan de tijd die verstrijkt tussen helderheidsvariaties in de eigenlijke quasarkern en de daarop volgende helderheidsvariaties in de omringende gaswolk.

Als ook voor quasars op onbekende afstanden de afmetingen van het brede-emmissielijn-gebied bepaald kunnen worden, volgt uit het gevonden verband direct de werkelijke lichtkracht van de quasar.

Nieuwe methode

Door die te vergelijken met de waargenomen helderheid, kan dan de afstand worden berekend. De nieuwe methode maakt het mogelijk afstandsbepalingen te verrichten voor objecten tot op afstanden van bijna twaalf miljard lichtjaar.

Op die manier is volgens de sterrenkundigen een veel vollediger beeld te verkrijgen van de vroege uitdijingsgeschiedenis van het heelal.