UTRECHT – De wolhalrige neushoorn, het reuzenzoogdier dat tijdens de ijstijden ook in Nederland zij aan zij liep met de mammoet, is waarschijnlijk op de Tibetaanse Hoogvlakte ontstaan.

Tijdens het Plioceen, ruim voor de ijstijden over Europa, Noord-Amerika en Azië kwamen, was het op de Tibetaanse flanken van de Himalaya al ijzig koud.

Nieuw fossielenonderzoek wijst uit dat een neushoornsoort hier de karakteristieken ontwikkelde die het dier later de kans gaf te overleven op de ijzige vlakten van Siberië en Europa.

Dit schrijven Chinese onderzoekers in hun publicatie in wetenschapsblad Science. Tijdens opgravingen hadden ze eerder een complete schedel en onderkaak gevonden van de primitieve neushoorn, die naar schatting 3,6 miljoen jaar oud zijn.

Platte hoorn

Het dier was goed aangepast aan een koud bergklimaat. Zo beschikte het naast een dikke vacht over een grote afgeplatte hoorn, waarmee het gemakkelijk een sneeuwlaag opzij kon schuiven, om bij onderliggende vegetatie te komen.

Pas een miljoen jaar later begon de eerste ijstijd en kon de neushoorn ook het laagland verkennen.

Uitgestorven

Toen de ijstijden weer ten einde kwamen, waren de dikbehaarde kouliefhebbers blijkbaar zo gewend geraakt aan het vlakke land, dat ze niet meer in staat bleken zich terug te trekken naar de berggebieden waar ze oorspronkelijk ontstonden.

Net als de mammoet, de sabeltandtijger en het reuzenhert is ook de wolharige neushoorn met het wegtrekken van de koude uitgestorven, daarbij mogelijk over het randje geholpen door menselijke jacht.