AMSTERDAM - Sommige soorten vampiervleermuizen hebben een hitte-sensor op hun kop waarmee ze warmbloedige prooien kunnen opsporen. Dat hebben Amerikaanse wetenschappers vastgesteld.

Vampiervleermuizen van de soort Desmodus rotundus zijn in staat om de infraroodstraling van warmte waar te nemen met een speciaal daarvoor ontwikkeld stukje huid vlakbij hun neus.

De hitte-sensor is in de loop van de evolutie waarschijnlijk ontstaan onder invloed van een hittegevoelig eiwit met de naam TRVP1. Dat meldt nieuwssite New Scientist op basis van onderzoek aan de Universiteit van Californië.

Pijnlijk

Alle vleermuizen maken het eiwit TRVP1 aan om pijnlijke hittebronnen te detecteren. Daardoor zullen de dieren nooit per ongeluk tegen een heet oppervlak aan vliegen.

De Amerikaanse wetenschappers hebben echter ontdekt dat vampiervleermuizen van de soort Desmodus rotondus een speciale versie van het eiwit produceren waarmee ze ook warmebronnen kunnen opsporen met minder hoge temperaturen. 

Het eiwit wordt geactiveerd door temperaturen die in de buurt liggen van de lichaamswarmte van dieren waarmee vampiervleermuizen zich voeden. Dit wijst er volgens hoofdonderzoeker Elena Gracheva op dat de hitte-sensor van groot belang is bij het opsporen van hun prooien.

Bloed

Vleermuizen moeten per dag ongeveer 70 procent van hun lichaamsgewicht aan bloed tot zich nemen om te kunnen overleven. “Zonder de aanpassing van het hittegevoelige eiwit zouden deze dieren waarschijnlijk niet kunnen overleven als soort”, verklaart Gracheva. 

De resultaten van het onderzoek naar vampiervleermuizen zijn gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Nature.