AMSTERDAM - Nieuwe analyses van materiaal verzameld tijdens de Apollo 17-missie laten zien dat het inwendige van de maan veel meer water bevat dan gedacht.

Dit geeft mogelijk een andere draai aan de ontstaansgeschiedenis van de maan. Een team onder leiding van Erik Hauri van het Carnegie Institution for Science onderzocht insluitsels van gestolde magma in kristallen.

Het magma bevat honderd keer meer water dan ooit eerder is gemeten in maangesteente. Doordat het is ingesloten in kristal, heeft het water niet kunnen ontsnappen.

Insluitsels

De kristallen met de insluitsels zijn zeer lang geleden tijdens vulkaanuitbarstingen vanuit het binnenste van de maan naar het oppervlak gebracht. Vergeleken met meteorieten bevat gesteente op aarde en de andere aardse planeten maar weinig water en andere vluchtige stoffen.

Dit past in het beeld dat het binnenste deel van het zonnestelsel te heet was voor de aanwezigheid van deze stoffen, toen de aardse planeten werden gevormd. Het lage watergehalte dat tot nog toe op de maan was gemeten, sloot hier ook goed bij aan. De waarneming dat het maaninwendige meer water bevat dan gedacht heeft consequenties.

Proto-aarde

Dit gaat namelijk niet goed samen met de theorie dat de maan gevormd is door een zeer gewelddadige (en hete) inslag van een planetair lichaam met de omvang van Mars op de proto-aarde.

En een hoger watergehalte in het inwendige van de planeten heeft gevolgen voor het tektonische gedrag van planeetoppervlakken, het smeltpunt van materialen in het inwendige en het gedrag van vulkanen.

Het is zelfs mogelijk dat het waterijs dat eerder is waargenomen in kraters op de polen van de maan niet alleen afkomstig is van komeetinslagen, maar is vrijgekomen uit het binnenste van de maan bij vulkaanuitbarstingen. Het onderzoek is vandaag gepubliceerd in Science Express.