AMSTERDAM - In de 17de en 18de eeuw was het in West-Europa beduidend koeler dan nu. Vaak wordt deze 'kleine ijstijd' toegeschreven aan de zon, die toen opmerkelijk rustig was - dat wil zeggen: bijzonder weinig zonnevlekken vertoonde.

Maar volgens recent onderzoek door onder anderen de Nederlandse astronoom Karel Schrijver kan de inactieve zon de één à twee graden lagere temperaturen van die periode niet volledig verklaren.

De hoeveelheid energie die de zon uitstraalt, uitgedrukt in de zogeheten zonneconstante, gaat op en neer met een periode van elf jaar.

Deze zonnecyclus is van invloed op het klimaat op aarde, vooral als de zonneconstante naar boven of beneden uitschiet.

Onderzoek

Uit het onderzoek van Schrijver en collega's blijkt dat de zonneconstante tijdens de kleine ijstijd waarschijnlijk niet zo laag was als tot nog toe werd aangenomen. Dat leiden zij af uit directe metingen van de magnetische activiteit van de zon tijdens het recente zonneminimum, dat qua gebrek aan zonnevlekken vergelijkbaar was met de zonneminima van de kleine ijstijd.

Dat maakt het onwaarschijnlijk dat de zonneconstante destijds heel veel lager was dan nu. Oftewel: als de zon al van invloed was op de toenmalige temperaturen, moeten er nog andere factoren zijn geweest die aan de kou hebben bijgedragen.