AMSTERDAM - De eerste sterren in het heelal waren niet zo eenzaam als tot nu toe werd gedacht.

Dat blijkt uit computersimulaties die zijn uitgevoerd door Duitse en Amerikaanse sterrenkundigen (Science, 4 februari).

De geboorte van een ster begint als een grote gaswolk onder invloed van zijn eigen zwaartekracht begint samen te trekken.

Daarbij nemen dichtheid en temperatuur van het gas zo sterk toe, dat de samentrekking van de gaswolk op een gegeven moment stopt. Alleen als het gas er vervolgens in slaagt om zijn warmte kwijt te raken, kan de gaswolk samentrekken tot een ster. In het huidige heelal wordt die afkoeling geregeld door zware elementen als koolstof en zuurstof.

Gaswolken

Maar in het vroege heelal bestonden die elementen nog niet, en konden de samentrekkende gaswolken dus niet zo goed afkoelen. De meeste theoretische modellen lieten dan ook zien dat er in het begin relatief weinig sterren ontstonden, en die zouden ook enorm zwaar zijn geweest: honderd zonsmassa's.

Uit de nieuwe computersimulaties blijkt echter dat dit simpele beeld moet worden bijgesteld. De gaswolken van de eerste sterren waren waarschijnlijk niet stabiel en zijn daardoor tijdens het samentrekken in stukken uiteengevallen. Hierdoor ontstond compacte groepen van afzonderlijke sterren op kleine onderlinge afstanden.