AMSTERDAM – Sommige zoogdieren konden zich 65 miljoen jaar geleden ontwikkelen tot giganten doordat de dinosauriërs uitstierven. Dat zou blijken uit een nieuwe studie van Amerikaanse en Canadese wetenschappers.

Toen de dinosauriërs van de aardbol verdwenen, bleven er zo veel voedselbronnen over dat sommige zoogdieren een geweldige groeispurt doormaakten.

Dat zou kunnen verklaren waarom de Paracetartherium – een voorouder van de olifant en het grootste landzoogdier aller tijden - bijvoorbeeld een lengte van ruim 5,5 meter kon bereiken.

Onderzoekers van de Universiteit van New Mexico en de Universiteit van Calgary presenteren die theorie in het wetenschappelijk tijdschrift Science.

Muizen

De wetenschappers wijzen er op dat de meeste zoogdieren tot de tijd waarin de dinosauriërs uitstierven niet veel groter waren dan muizen.

“Zoogdieren ontstonden ongeveer 210 miljoen jaar geleden en bleven de eerste 140 miljoen jaar erg klein”, verklaart hoofdonderzoekster Felisa Smith op Discovery News. “Dat kwam waarschijnlijk door de competitie met reptielen en dinosauriërs die het ecosysteem domineerden.”

Uitstervingsgolf

Na de grote uitstervingsgolf die ongeveer 65 miljoen jaar geleden plaatsvond, bleven volgens de wetenschappers vooral alleen kleine zoogdieren over. In de meeste gevallen ging het om alleseters die een overvloed aan voedsel tot hun beschikking hadden en daardoor snel konden groeien.

“In feite was er nadat de dinosaurussen uitstierven, niemand meer die alle vegetatie opat”, verklaart onderzoekster Jessica Theodor in het Britse tijdschrift New Scientist.

Beperking

Zoogdieren hebben echter nooit het formaat bereikt van de grootste dinosauriërs. De onderzoekers vermoeden dat dit te maken had met hun warmbloedigheid. De grootste zoogdieren moesten in tegenstelling tot de waarschijnlijk koudbloedige dinosauriërs veel energie verbruiken om hun lichaamstemperatuur te regelen. Dit beperkte hun groei.

“Het is interessant dat de grootste dinosaurussen ongeveer tien keer zo groot waren als de grootste zoogdieren”, aldus Smith. “Dat klopt precies met de verschillen in de energiebehoefte.”