AMSTERDAM - Astronomen hebben aanwijzingen gevonden dat het heelal vroeg in zijn geschiedenis een opwarming heeft doorgemaakt.

Dat blijkt uit metingen van de temperatuur van het gas dat zich tussen sterrenstelsels bevindt.

Uit die metingen kwam naar voren dat deze temperatuur in de periode tussen één en drieënhalf miljard jaar na de oerknal is gestegen. De oorzaak ligt hoogstwaarschijnlijk bij de enorme energieproductie van jonge, actieve sterrenstelsels, die quasars worden genoemd.

Gaswolken

Vroeg in de kosmische geschiedenis zat het overgrote deel van alle materie nog niet in sterren en sterrenstelsels, maar in ijle gaswolken. De temperatuur van deze gaswolken kan worden gemeten door het licht van quasars te analyseren.

In het spectrum van deze extreem heldere, verre objecten laat elke gaswolk die zich in de gezichtslijn bevindt een soort vingerafdruk achter waaruit allerlei eigenschappen kunnen worden afgeleid, waaronder de afstand en de temperatuur van de gaswolk.

12.000 graden

Uit de metingen blijkt dat de gastemperatuur één miljard jaar na de oerknal 'slechts' 8000 graden bedroeg. Tweeëneenhalf miljard jaar later was dat opgelopen tot minstens 12.000 graden, terwijl de uitdijing van het heelal juist tot afkoeling leidde. Iets moet de boel dus hebben opgewarmd, en volgens de astronomen waren dezelfde quasars de belangrijkste energiebron van die tijd. In de genoemde periode namen deze objecten sterk in aantal toe.