AMSTERDAM - De bedenker van de evolutietheorie Charles Darwin had mogelijk het mis toen hij beweerde dat competitie de belangrijkste drijfveer achter het evolutieproces was. Dat beweren Britse wetenschappers in een nieuwe studie.

Volgens onderzoekers van de Universiteit van Bristol is niet de competitie tussen de soorten doorslaggevend voor het evolutieproces, maar de leefruimte die een soort heeft. De juistheid van de beroemde term ‘survival of the fittest’ die Charles Darwin gebruikte in zijn evolutietheorie, wordt daarmee in twijfel getrokken.

De wetenschappers komen tot hun opmerkelijke conclusies in het wetenschappelijk tijdschrift Biology Letters. Ze hebben voor hun onderzoek evolutionaire patronen bestudeerd in de afgelopen 400 miljoen jaar op basis van fossielen.

Vliegen

Als bewijs voor de nieuwe theorie over het belang van leefruimte wordt de evolutie van vogels genoemd. Volgens de Britse wetenschappers kwam de ontwikkeling van die soort pas echt op gang toen de dieren vleugels ontwikkelden en in de lucht gingen leven. 

“Een ander voorbeeld is het feit dat zoogdieren 60 miljoen jaar lang naast dinosaurussen leefden. Zij waren zeker niet in staat om de competitie te winnen van deze dominante reptielen”, verklaart onderzoeker Mike Benton op BBC News. “Maar toen de dinosaurussen uitstierven, hebben zoogdieren wel snel de lege plaatsen ingenomen en vandaag de dag domineren zij het land.”

Competitie

Toch is het volgens andere wetenschappers maar de vraag of de nieuwe theorie ook daadwerkelijk daadwerkelijk bewijst dat competitie tussen verschillende soorten niet doorslaggevend is bij evolutie. 

“Waarom zouden soorten nieuwe stukken land innemen”, vraagt evolutiewetenschapper Stephen Stearns zich af. “Is de reden daarvan niet gewoon dat ze competitie proberen te vermijden met de soorten die op de stukken land leven die al bezet zijn?”