AMSTERDAM – Bioloog Charles Darwin en zijn kinderen hadden een relatief slechte gezondheid doordat er veel inteelt in de familie voorkwam. Dat blijkt uit een analyse van Amerikaanse en Spaanse wetenschappers.

De onderzoekers van de Universiteit van Ohio en de Universiteit van Santiago de Compostela hebben een verband gevonden tussen de vele ziektes en sterfgevallen in de familie van Charles Darwin en de grote mate van inteelt in het geslacht.

Uit de analyse blijkt dat de kinderen van Charles Darwin een zogenaamde inteeltfactor van 0,063 hadden. Dat betekent dat 6,3 procent van de genen die ze erfden van hun vader en moeder identiek waren. De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift BioScience.

Identieke genen

Hoe meer ‘identieke’ genen iemand erft, hoe groter de kans dat daar ‘defecte’ genen bijzitten die niet kunnen worden gecompenseerd door een gen van de andere ouder. De kinderen van Darwin werden inderdaad geplaagd door ziektes en biologische afwijkingen.

De bioloog kreeg tien kinderen met zijn vrouw en eerstegraads nicht Emma Wedgwood, maar daarvan overleden er drie. Dat percentage sterfgevallen (30 procent) ligt twee keer zo hoog als de gemiddelde kindersterfte in negentiende eeuw.

Onvruchtbaar

Twee van Darwin's nakomelingen die wel in leven bleven, kregen geen kinderen. Volgens de wetenschappers wijst dat op onvruchtbaarheid. De onderzoekers wijzen er verder op dat de gezondheidsproblemen die Darwin ondervond na zijn reis de met de Beagle mogelijk ook een genetische oorzaak hadden.

Darwin was zich overigens bewust van de gevaren van inteelt. Hij toonde zich meerdere malen bezorgd over het aantal huwelijken tussen genetisch verwante personen in zijn familie. Ook stelde hij in 1870 voor om huwelijken tussen eerstegraads neven en nichten voortaan te verbieden.

Sterfelijkheid

“Wanneer je naar de sterfelijkheid van zijn kinderen kijkt en de onvruchtbaarheid binnen zijn familie, kun je volgens mij wel stellen dat Darwin terecht bezorgd was over deze kwestie”, verklaart hoofdonderzoeker Tim Berra in het Britse tijdschrift New Scientist.