CALIFORNIA - Onderzoekers van het California Institute of Technology (Caltech) hebben een verklaring gevonden voor het feit dat er aan de noordpool van de grote Saturnusmaan Titan veel meer meren zijn dan aan de zuidpool.

De reden daarvoor wordt gezocht bij de variërende afstand van Saturnus tot de zon (29 november).

Dat er meren zijn op Titan, werd enkele jaren geleden ontdekt met een radarinstrument van de ruimtesonde Cassini. Deze meren zijn niet gevuld met vloeibaar water - daarvoor is het veel te koud op Titan - maar met vloeibare koolwaterstoffen (ethaan en methaan).

Omdat er verder geen duidelijke verschillen zijn tussen het noordelijke en het zuidelijke poolgebied van de maan, was het toch nog toe onduidelijk waarom er rond de noordpool veel meer van die meren zijn.

Zuidelijk halfrond

Volgens de Californische onderzoekers komt dat doordat Saturnus tijdens de zomer op het zuidelijke halfrond van Titan ongeveer 12 procent dichter bij de zon staat dan tijdens de zomer op het noordelijke halfrond.

Hierdoor zijn de noordelijke zomers langer en kouder dan de zuidelijke. Het gevolg van deze asymmetrie is dat de verdamping op het zuidelijk halfrond relatief sterk is en op het noordelijk halfrond relatief veel neerslag valt.