Genen bepalen mede succes dotterbehandeling

AMSTERDAM - De meeste hartpatiënten die de welbekende dotterbehandeling ondergaan, hebben daarna geen klachten meer.

Maar bij 10 tot 15 procent van de patiënten groeit de gedotterde kransslagader toch weer dicht, ondanks de plaatsing van een stent die de ader open moet houden.

Amsterdams onderzoek heeft nu aangetoond dat daarvoor een genetische aanleg bestaat, die met medicijnen te ondervangen is.

Een stent is een soort veertje dat in de kranslagader wordt geplaatst, zodat er voldoende bloed door de ader kan stromen.

Bij ongeveer een op de tien patiënten groeit de stent dicht met littekenweefsel, waardoor een nieuw hartinfarct dreigt. Artsen noemen dat restenose.

Woekering

Zelfs het plaatsen van een stent met medicijnen tegen littekenvorming kan de woekering niet altijd voorkomen.

Hoogleraar medische celbiochemie Carlie de Vries en onderzoekster Claudia van Tiel van het Academisch Medisch Centrum Universiteit van Amsterdam (AMC) hebben nu ontdekt dat er een fout kan zitten in de genen die de aanmaak van nieuwe spiercellen regelen.

Ontstekingen

Eerder zochten cardiologen altijd naar een erfelijke aanleg voor ontstekingen, waardoor de stent bij sommige mensen dicht zou groeien.

De wetenschappers hebben patent aangevraagd op hun vondst, aldus het AMC. Binnenkort zullen er hoogstwaarschijnlijk testen op de markt verschijnen, waarmee het genetische defect aangetoond kan worden.

Dat maakt het mogelijk om per patiënt te besluiten of het plaatsen van een eenvoudige stent voldoende is of dat iemand een duurder en ingewikkelder exemplaar nodig heeft met medicijnen tegen de restenose.

Dagelijkse nieuwsbrief

Dagelijkse nieuwsbrief
Elke ochtend rond 6.00 uur weten wat het nieuws wordt?
Tip de redactie