UTRECHT - De lachspier ofwel de zygomatic major heeft invloed op het gevoel voor humor. Iemand die zijn lachspieren niet kan gebruiken, vindt plaatjes en situaties minder grappig dan mensen die wel over hun lachspieren kunnen beschikken.

De fysieke mogelijkheid tot lachen is dus van invloed op het mentale oordeel over hoe grappig iets is.

Dat concludeert de Utrechtse hoogleraar sociale psychologie Gün Semin, die samen met een collega van de Vrije Universiteit in Amsterdam onderzoek deed.

Semin liet proefpersonen woorden lezen. Het bleek dat de lachspier onbewust werd geactiveerd bij woorden die te maken hebben met humor, zoals grappig, glimlach en schateren. Bij andere woorden bewoog de lachspier niet.

Cartoons

Daarna liet de professor cartoons zien. Tussendoor flitsten woorden voorbij die de lachspieren activeerden.

Een deel van de groep had een pen in de mond en kon daardoor de lachspier niet gebruiken. Deze groep bleek de cartoons beduidend minder leuk te vinden dan de groep die vrijuit kon lachen.

Neurobiologische basis

Ook nadat de pen uit de mond was gehaald, vond de groep de plaatjes niet zo grappig als de andere proefpersonen.

Volgens Semin biedt zijn onderzoek nieuwe inzichten in de neurobiologische basis van taal. De bevindingen zijn deze week gepubliceerd in een internationaal vakblad.