AMSTERDAM – Mensen uit Europa zijn beter in staat om kleine gehaltes suiker te proeven dan bewoners van andere continenten. Dat blijkt uit een nieuwe studie van Amerikaanse wetenschappers.

 Onderzoekers van het National Institute of Deafness and Other Communication Disorders in Maryland lieten 144 proefpersonen uit Europa, Afrika en Azië enkele oplossingen met een sterk uiteenlopend suikergehalte proeven.

Sommige drankjes bestonden voor 4 procent uit suiker, in andere oplossingen zat nauwelijks of geen zoetigheid. De deelnemers aan het experiment moesten bij elk drankje aangeven of ze suiker proefden en hoe zoet de smaak was in vergelijking tot andere vloeistoffen.

Gevoeliger

Europeanen bleken veel beter in staat om kleine gehaltes suiker te proeven, dan mensen uit Afrika. Ook Aziaten waren gemiddeld iets minder gevoelig voor zoetigheid dan Europeanen.

De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Current Biology.

Volgens de onderzoekers gaat de sterk ontwikkelde smaak van suiker samen met een specifiek gen dat veel voorkomt in Europa. Dit gen met de naam TAS1R3 is ook wijd verspreid in Azië, maar komt veel minder voor in Afrika.

Evolutie

De onderzoekers vermoeden dat de gevoelige smaak voor suikers uitgroeide tot een evolutionair voordeel, toen onze voorouders de regenwouden van Afrika verlieten en ze minder gemakkelijk fruit en groente met koolhydraten konden vinden.. 

“Alle planten met fruit en groenten die erg veel suiker bevatten, kom je tegen in de tropen”, zo verklaart hoofdonderzoeker Dennis Drayna in New Scientist. “Als je naar hogere breedtegraden trekt, vind je zulke planten veel minder. Misschien moesten mensen daarom hun smaak aanpassen.”

Wortel

“Het is mogelijk dat mensen die zoetigheid minder goed proefden, een wortel bijvoorbeeld niet als goed voedsel beschouwden, omdat het hen niet smaakte”, aldus deskundige Paul Breslin van het Monell Chemical Senses Center in Philadelphia.