VOORBURG - Ruim een kwart van de hoogopgeleide vrouwen die in de jaren 1945 tot en met 1949 zijn geboren, is kinderloos gebleven. Voor de generatie hoogopgeleide vrouwen die in 1960 tot en met 1964 het levenslicht aanschouwden, geldt hetzelfde.

Dat blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maandag heeft gepubliceerd. Al generaties lang worden hoogopgeleide vrouwen op latere leeftijd moeder dan vrouwen met een middelbare of lage opleiding.

Relatieve kinderloosheid

Uit de cijfers blijkt nu dat de relatieve kinderloosheid onder de vrouwen met een hbo- of universitaire opleiding niet is toegenomen. Bij vrouwen met alleen basisonderwijs of vmbo is dat niet het geval. Van de generatie 1945-1949 is 9 procent kinderloos gebleven. Bij de generatie 1960-1964 was dat 15 procent.

De gemiddelde hoogopgeleide vrouw die in de jaren 1960 tot en met 1964 is geboren, heeft haar eerste kind gemiddeld aanzienlijk later gekregen dan de vrouw met hbo of universiteit uit de tweede helft van de jaren veertig. De gemiddelde leeftijd was 31 jaar, 3,5 jaar ouder dan bij de vrouwen van de eerdere generatie.

Laagopgeleid

Bij laagopgeleide vrouwen steeg de gemiddelde leeftijd bij de geboorte van het eerste kind ook, maar het verschil is veel minder groot: van bijna 24 in de oudere generatie tot 25,5 in de jongere generatie.

Dat zowel laat moederschap als kinderloosheid bij vrouwen met een hbo- of universitaire opleiding vaker voorkomt dan bij vrouwen met hoogstens vmbo, komt doordat de eerste groep vaker werk heeft en voor een carrière kiest. Ook hebben hoogopgeleide vrouwen meer moeite een geschikte partner te vinden.