NIJMEGEN - Patiënten met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en andere angststoornissen hebben veel baat bij een bepaalde behandeling, maar krijgen die vaak niet vanwege misverstanden in therapieland.

Dat stelt bijzonder hoogleraar angstregulatie en behandeling van angststoornissen, Agnes van Minnen van de Radboud Universiteit donderdag.

Van Minnen is sinds november 2007 bijzonder hoogleraar en weerlegt vrijdag tijdens haar oratie de misvattingen die er bestaan over de zogenoemde exposurebehandeling. Die behandeling stelt patiënten stukje bij beetje bloot aan datgene waarvoor ze bang zijn, zodat ze aan hun angst kunnen wennen.

Bij PTSS-patiënten gebeurt dat bijvoorbeeld door in gedachten steeds iets verder terug te gaan naar het traumatiserende moment.

Situatie

"Onder veel therapeuten bestaat het onterechte idee dat blootstelling hieraan de situatie kan verergeren, dat het niet effectief genoeg is, dat patiënten het niet zien zitten en dat er een ingewikkelde opleiding nodig is om de therapie te kunnen toepassen", stelt Van Minnen.

"Maar patiënten hebben na behandeling juist minder klachten. Ze vinden het zwaar, maar kiezen er wel voor, en de therapie is niet moeilijk te leren toepassen."

Praktijk

Van Minnen, tevens klinisch psycholoog op de angstpolikliniek van GGZ Nijmegen, baseert haar conclusies op voortdurend onderzoek tijdens haar dagelijkse praktijk. Ze gaat een opleiding voor therapeuten ontwikkelen en aandacht van vakgenoten en studenten voor de behandeling vragen.

Het Trimbos Instituut telde in 2006 1,7 miljoen Nederlanders met een angststoornis. De PTSS is volgens het instituut na hart- en vaatziekten de aandoening met de grootste impact op het dagelijks leven.