Het Westfries Museum is na de geruchtmakende schilderijenroof in 2005 partij in een schimmig politiek spel. "Het is een soort James-Bondfilm of een Da Vinci Code."

Dat vertelt museumdirecteur Ad Geerdink maandag in het programma Recht uit Noord-Holland.

Op 9 januari 2005 bezoeken de daders een huiskamerconcert in het Westfries Museum. Niet om te genieten van de rustgevende muziek, maar om de bewegingssensoren af te plakken. Een van de daders laat zich daarna insluiten: hij verstopt zich onder de doodskist van een Hoornse zeeheld. Zodra het museum de deuren sluit, hebben ze zeeën van tijd om hun snode plan tot uitvoer te brengen. 

"Het zijn professionals in inbreken, maar niet in kunst", vertelt Geerdink. Zijn vermoeden wordt versterkt als hij begin vorig jaar te horen krijgt dat de 24 geroofde zeventiende- en achttiende-eeuwse schilderijen mogelijk in oost-Oekraïne liggen. 

De tip komt van een vrijwilligersbataljon. Dat bataljon zou de schilderijen tijdens de oorlog hebben gevonden in een villa die aan familie van voormalig president Janoekovitsj toebehoort. Maar omdat ze het risico hebben genomen om de schilderijen veilig te stellen, eisen ze een vindersloon van tien procent van de door hen veronderstelde waarde: vijf miljoen euro. 

Thriller

Een veel te hoog bedrag volgens het museum, dat bang is dat de schilderijen in zo'n slechte staat verkeren dat ze niets meer waard zijn. "Je wordt heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees", vertelt Geerdink, die inmiddels heeft geleerd behoudend te reageren op nieuwe ontwikkelingen in de thriller.

"Eerst zien, dan geloven is nu het motto. Eigenlijk zouden we de filmrechten aan Hollywood moeten verkopen."

Geerdink denkt dat de schilderijen worden gebruikt om de oorlog te financieren. Hij vergelijkt het met de manier waarop IS aan geld komt. "Met de verkoop van de antiquiteiten. Dat lijkt nu ook in Oekraïne aan de orde te zijn." Hij houdt hoop, vertelt hij in het museum.

"We hebben de collectie wel weer kunnen aanvullen, maar die schilderijen moeten gewoon terug."