Hoewel het voor sommigen klinkt als iets van vroegere tijden, zijn er volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) nog altijd 1,6 miljoen Nederlanders lid van een vakbond. Het aantal leden neemt echter wel al jaren af. En dat is volgens kenners zorgwekkend.

"Eerst was het vanzelfsprekend dat je je aansloot bij een vakbond", vertelt Dennie Oude Nijhuis, historicus aan Universiteit Leiden. "Als je loodgieter werd, werd je lid van de brancheorganisatie. Dat is nu niet meer zo."

Het aantal mensen dat lid is van een vakbond daalde tussen 2017 en 2019 met 6 procent, becijferde het CBS. Dat is een sterke daling: alleen in 1934, 1984 en 1985 haakten er meer mensen af. Vooral jongeren tot 25 jaar sluiten zich niet meer aan, hoewel dagblad Trouw wel signaleerde dat er sinds de start van de coronacrisis een opleving te zien is in deze groep.

Wat doet een vakbond eigenlijk precies? "Een vakbond is niet meer dan een groep werknemers die samen optrekt en als collectief afspraken maakt met de werkgever over rechten en loon, vaak in de vorm van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao)", zegt Oude Nijhuis. De grootste vakbonden in Nederland zijn FNV, CNV en De Unie.

“Het resultaat van het werk van de vakbonden is een cadeautje geworden. Terwijl een vakbond wel leden nodig heeft om stevig aan de onderhandelingstafel te kunnen zitten.”
Willem Bouwens, hoogleraar arbeidsrecht

Dat de ledenaantallen telkens teruglopen, vindt Oude Nijhuis zorgwekkend. "Vakbonden klinken stoffig en cao's saai, maar ze zijn enorm belangrijk. Omdat vakbonden met werkgevers afspraken maken, ontstaat er rust op de arbeidsmarkt."

Dat beaamt Willem Bouwens, hoogleraar arbeidsrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam. "Vakbonden hebben tot hoog niveau een vinger in de pap. Ze helpen bij het tot stand komen van nieuwe regelgeving, bijvoorbeeld rondom het pensioenakkoord. Ze worden - nog - als een volwaardige gesprekspartner gezien. En dat is belangrijk als je wil dat de stem van werknemers wordt gehoord."

Vakbonden piekten in jaren zeventig

De eerste moderne, onafhankelijke vakbewegingen ontstonden eind negentiende eeuw, vertelt Oude Nijhuis. "De acceptatie van vakbonden is heel traag gegaan. Vanaf de jaren dertig werden werkgevers meer en meer bereid om te overleggen over arbeidsvoorwaarden. Na de Tweede Wereldoorlog waren vakbonden alom vertegenwoordigd en geaccepteerd als partner. De piek van het lidmaatschap lag in de jaren zeventig."

Vanaf de jaren tachtig is er een dalende lijn te zien, aldus Oude Nijhuis. "De dienstensector komt op, bedrijven worden kleiner en de individualisering van de arbeidsmarkt begint."

“De macht van de werknemer wordt minder en de lonen blijven achter doordat de vakbonden hun macht verliezen.”
Dennie Oude Nijhuis, historicus

Doordat de arbeidsmarkt goed is gereguleerd en de cao's inmiddels algemeen bindend zijn, lijkt het werk van vakbonden minder nodig te worden. Maar dat is schijn, stelt Oude Nijhuis. "Je merkt het misschien niet meteen, doordat er geen verschrikkelijke misstanden zijn. Maar de macht van de werknemer wordt minder en de lonen blijven achter doordat de vakbonden hun macht verliezen."

Manieren om lidmaatschap te stimuleren

Uit onderzoek blijkt dat veel werknemers blij zijn met de werkzaamheden van de vakbonden, maar geen reden zien om lid te worden, zegt Bouwens. "Want om te profiteren van een cao hoef je geen lid te zijn. Het is een cadeautje geworden. Terwijl een vakbond wel leden nodig heeft om stevig aan de onderhandelingstafel te kunnen zitten."

Lid worden is dus goed voor het algemeen belang, maar er zijn ook individuele voordelen zoals gratis rechtsbijstand, vertelt de hoogleraar. "Ook heb je inspraak in de onderhandelingen en je kunt meestemmen over de cao's."

Er worden al veertig jaar manieren bedacht om lidmaatschap te stimuleren, zegt Bouwens. "Maar er wordt nog niks doorgevoerd, omdat de resultaten van het werk van de vakbonden nog steeds op een groot draagvlak mogen rekenen. Als de situatie nijpend wordt en de positie van de werknemers verslechtert, verwacht ik dat Nederlanders de vakbonden snel weer gaan ontdekken. Want dan kom je al snel op het idee: we moeten samen optrekken, want individueel krijgen we weinig voor elkaar."