Minder overheid en meer voor elkaar zorgen: sinds 2013 leven we niet langer in een verzorgingsstaat, maar in een participatiesamenleving. De helft van de Nederlanders draagt dan ook bij als vrijwilliger: bingoënd met ouderen of kippen voerend op de kinderboerderij. Wat drijft deze mensen? Je leest het in de rubriek De Vrijwilliger.

Harry van de Griend (61) helpt bij maatjes- en mentorproject Jong Perspectief in Zoetermeer

In een woning in de Zoetermeerse wijk Seghwaert zet Van de Griend zijn tweede kopje koffie van de dag. Dan loopt hij richting het dressoir, pakt hij een fotolijstje en houdt het omhoog. "Kijk, dit zijn ze!" Hij wijst op zes kleine schoolpasfoto's die tussen de randen van het lijstje zijn geschoven. "Mijn jongens. Drie van hen komen oorspronkelijk uit Eritrea. De andere drie zijn in Nederland geboren."

Het is een donderdagochtend en zijn vrouw is buiten de deur druk als mantelzorger. Van de Griend besteedt het merendeel van zijn tijd aan vrijwilligerswerk. Hij begeleidt tienerjongens die een steuntje in de rug kunnen gebruiken en coacht ze op basis van zijn eigen levenservaring.

“De thuissituatie van veel jongeren die ik begeleid is stressvol.”
Harry van de Griend

Jongeren met te veel afleiding om goed te functioneren

Na een lange carrière bij Defensie, waar Van de Griend bij de materieelinkoop werkte, raakte hij bij een reorganisatie zijn baan kwijt. Hij besloot een verkorte pabo-opleiding te gaan volgen en ook aan de slag te gaan bij het maatjesproject van Jong Perspectief. Uiteindelijk kwam hij voor de klas te staan in het volwassenenonderwijs, waar hij Nederlands als tweede taal gaf. Daar kwam hij via Stichting Piëzo voor het eerst in contact met jonge statushouders.

Het coachen zit hem in het bloed, zegt Van de Griend. "Al bij Defensie merkte ik op dat collega's vaak even bij mij langskwamen voor advies of om hun verhaal kwijt te kunnen."

De jongeren die hij nu begeleidt, hebben allesbehalve een stabiele basis. Dat is heel anders dan hijzelf: voor zijn eigen ouders zou hij een standbeeld kunnen oprichten, zegt Van de Griend. De vaders van alle jongens die hij coacht, zijn uit beeld. Hun moeders hebben het zwaar en zijn veelal door verschillende oorzaken in financiële problemen gekomen. "De thuissituatie is vaak stressvol."

Of een jongere op school en in de samenleving goed kan meekomen, ligt volgens hem dan ook meestal niet aan intelligentie, maar aan de hoeveelheid zaken die ze afleiden.

“Veel jongens zijn moeilijker te bereiken; zij willen onafhankelijk zijn.”
Harry van de Griend

Van moeizaam contact tot een wekelijkse squashtraditie

Dan gaat zijn telefoon. Het is T., een Nederlandse jongen van dertien met wie Van de Griend heeft afgesproken om 's middags naar de bioscoop te gaan. "Harry, waar ben je?", klinkt het door de luidspreker. "Ik ben thuis", zegt Van de Griend. "Het zal nog wel een uurtje duren voordat ik bij jou ben. Hoe ging het met Engels?" Het is stil aan de andere kant. "Ik zag namelijk een 3 staan. Kan dat kloppen?" Van de Griend heeft toestemming om gegevens van school online in te zien, zodat hij goed op de hoogte is.

Het eerste contact met zijn jonge maatjes verloopt altijd anders. "Sommigen - zoals Y. - staan er meer voor open. Toen ik de eerste keer met hem en zijn moeder sprak, kwam hij steeds dichter bij me op de bank zitten. Na afloop vroeg ik hem: 'Zou je het leuk vinden als ik volgende week weer kom?' Hij reageerde enthousiast." Toen Van de Griend de week erop op de stoep stond, was Y. verbaasd. "Hij kon niet geloven dat ik er ook echt weer was. Waarschijnlijk was hij gewend aan mannen die hun beloftes niet nakomen."

De Eritrese jongens zijn moeilijker te bereiken, merkt Van de Griend. "Zij willen onafhankelijk zijn. Op elk direct aanbod om hun buddy te zijn, zeggen ze nee."

Met J., een van de Eritrese jongens, besloot hij het dan ook over een andere boeg te gooien. "Ik squashte in die tijd veel. Op een gegeven moment ben ik op J. afgestapt en heb ik gezegd dat mijn vaste squashmaatje had afgezegd en gevraagd of hij misschien mee wilde." Dat wilde hij wel en daarna gingen Van de Griend en de jongen wekelijks squashen. Ook de vertrouwensband groeide. "Later hielp ik hem met het inrichten van zijn woonruimte, het vinden van een stageplek en een bijbaantje."

'Ik bleek zijn beste vriend te zijn'

Op veel dingen die de jongens hebben bereikt, is Van de Griend trots. Zoals de gevluchte S., die nu een opleiding volgt en een eigen appartement in Zoetermeer heeft. Van de Griend hielp hem verhuizen en met inschrijvingen op school. Toen de jongen op een lening van de gemeente moest wachten, gaf hij hem alvast een voorschot voor de eerste noodzakelijke uitgaven.

Van de Griend is er inmiddels van doordrongen dat hij een belangrijke rol speelt in het leven van de jongens die hij begeleidt. Toen J. hem eens verdrietig opbelde, vroeg Van de Griend of hij niet met een vriend kon afspreken. J. antwoordde echter: "Ik heb geen vrienden hier, Harry. Ik ken wel mensen, maar echte vrienden zijn mensen met wie je een geschiedenis deelt." Van de Griend: "Dat raakte mij, want zo had ik het zelf nog niet bekeken. Ik bleek op dat moment zijn beste vriend te zijn."