LUXEMBURG - De werkloosheid in de eurolanden is in april op 9 procent uitgekomen. Dat is iets hoger dan de 8,9 procent een jaar geleden, maar onveranderd vergeleken met herziene cijfers over maart.

De werkloosheid vertoont sinds voorjaar 2001 een langzaam stijgende lijn, blijkt uit cijfers die het Europese statistisch bureau Eurostat woensdag presenteerde. In april 2001 was nog 8 procent zonder werk in de twaalf landen met de euro.

Nederland heeft de snelst stijgende werkloosheid van de eurolanden. Het percentage steeg van 3,5 in maart 2003 naar 4,7 in maart dit jaar, het laatst bekende cijfer voor Nederland. Daarmee heeft Nederland nog altijd relatief weinig werklozen. Alleen Luxemburg, Cyprus, Ierland en Oostenrijk hebben een lager percentage.

Stabiel

Voor de hele Europese Unie, met 25 landen, bleef de gemiddelde werkloosheid stabiel op 9,1 procent, onveranderd vergeleken met vorig jaar en vorige maand. Relatief de meeste werklozen zijn te vinden in Polen (18,9 procent), maar ook Duitsland (9,8 procent) heeft te weinig werk voor iedereen.

Polen is ook het land met veruit de hoogste jeugdwerkloosheid. Van de jongeren heeft daar 39,6 procent geen baan. Nederland had lange tijd de laagste jeugdwerkloosheid van de hele Europese Unie. Maar door een stijging van 7 naar 9 procent in een jaar tijd, moet ons land Oostenrijk en Ierland voor laten gaan. Gemiddeld zijn in de eurolanden 17,3 procent van de jongeren zonder werk. Voor alle EU-landen is dat 18,1 procent.