BRUSSEL - In hoeverre mannen of vrouwen meedoen aan het arbeidsproces hangt mede af van het aantal kinderen dat zij hebben. Het effect op de arbeidsparticipatie door het al dan niet hebben van kinderen, verschilt van man tot vrouw.

Dat blijkt uit gegevens van Eurostat, het statisch bureau van de Europese Unie, die vrijdag zijn gepubliceerd.

In algemene zin is het in Europa zo dat arbeidsdeelname van vrouwen in de leeftijd van 25 tot 54 jaar afneemt naarmate ze meer kinderen krijgen. Bij mannen is het omgekeerde het geval.

Dat geldt voor het merendeel van de 27 Europese lidstaten. Alleen in Nederland, Cyprus, Hongarije en Finland is dat niet zo. In deze vier landen gaan vrouwen minder werken als zij een eerste kind krijgen, maar gaan ze juist weer meer werken als er een tweede bijkomt.

In Letland, Litouwen, Portugal en Roemenië vormen de vrouwen ook een uitzondering; zij gaan bij een eerste kind juist meer werken en gaan pas vanaf een tweede kind afbouwen. In België en Slovenië beginnen vrouwen pas af te bouwen als zij een derde kind krijgen. Tussen de Europese mannen zit weinig verschil.

Werkende vrouwen

Uit de cijfers van Eurostat blijkt verder dat het nog steeds zo is dat in vrijwel alle EU-landen mannen meer werken dan vrouwen, ongeacht of de vrouwen kinderen hebben of niet. Van de Europese vrouwen van 25 tot 54 jaar zonder kinderen werkte in 2009 bijna 76 procent.

Van de vrouwen in dezelfde leeftijd met een kind werkte 71,3 procent, tegen 69,2 procent van de vrouwen met twee kinderen en 54,7 procent van de vrouwen met drie of meer kinderen.

Van de mannen in dezelfde leeftijdsgroep zonder kinderen werkt 80,3 procent, bij een kind loopt dat op tot 87,4 procent en bij twee zelfs tot 90,6 procent. Vanaf drie kinderen wordt het juist weer wat minder en komen ze gemiddeld uit op 85,4 procent.