AMSTERDAM – Een op de tien Nederlanders zoekt via sociale netwerksites naar werk. Daarmee staat deze manier van oriënteren op de 18de plaats van de 24 manieren om op zoek te gaan naar een nieuwe baan.

Op de eerste plaats staan nog steeds vacaturesites met 55 procent. Dit blijkt uit een analyse van 15.582 personen uit het Arbeidsmarkt GedragsOnderzoek in 2009.

55 procent maakt wel regelmatig gebruikt van de online social networks, de link naar arbeidsmarkt bleek echter beperkt aanwezig.

Verschillen

De verschillen in oriëntatiegedrag tussen de verschillende doelgroepen op het gebied van online communities en social media zijn niet spectaculair groot te noemen. Dat komt vooral door het lage percentage dat dit oriëntatiekanaal overweegt.

Toch zijn er interessante verschillen waarneembaar. Hoogopgeleiden gebruiken dit kanaal eerder om zich te oriënteren dan middelbaar- en laagopgeleiden, respectievelijk 15 versus 9 en 6 procent. Verder valt op dat met name vanaf de leeftijd van 25 jaar deze oriëntatiebron aan populariteit toeneemt en dat dit tot veertig jaar het geval blijft.

Groot bereik

58 Procent van de vrouwen en 51 procent van de mannen uit de Nederlandse beroepsbevolking is regelmatig (minimaal 1 keer per twee weken) te vinden op 1 of meerdere online social networks, variërend van Hyves, LinkedIn en Facebook tot en met Gay.nl en Refoweb.nl.

Daarmee is het bereik van dit mediumtype enorm groot. Toch is de directe associatie met de arbeidsmarkt nauwelijks aanwezig, zeker in de social media die het privédomein behelzen, zoals Hyves en Facebook. Op deze social networks wordt inmenging door werkgevers met gemengde gevoelens ontvangen.

Kanttekeningen

''Uit verschillende groepsdiscussies die wij hebben gehad omtrent de rol van online sociale media kwam naar voren dat men wel open staat voor benadering, maar met een aantal zwaarwegende kanttekeningen'' aldus Geert-Jan Waasdorp, oprichter van Intelligence Group.

''Logischerwijs staan mensen eerder open voor benadering als ze een baan zoeken, maar onpersoonlijke standaardberichtjes worden sowieso niet op prijs gesteld. Ook banners krijgen maar weinig aandacht.”