AMSTERDAM - De werkloosheid onder tweede generatie immigranten is in Nederland twee keer zo hoog als in andere Oeso-landen. Alleen België heeft een vergelijkbaar probleem.

Dit blijkt uit een donderdag verschenen rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) over de integratie van kinderen van immigranten op de arbeidsmarkt in EU en Oeso-landen.

Uit de vergelijking tussen kinderen van immigranten in de leeftijd van 20 tot 29 jaar in zestien geïndustrialiseerde landen en leeftijdgenoten met ouders uit die landen zelf, blijkt dat in Nederland wonende nakomelingen van buitenlanders bijna tweemaal zo vaak school verlaten met een lage of geen enkele kwalificatie. Bovendien hebben ze vervolgens een driemaal zo grote kans werkloos te worden.

Slechts

Tweede generatie buitenlanders hebben elders ook een grotere kans op werkloosheid. Echter, waar elders negen van de tien een baan vindt, is dit in Nederland slechts zeven op de tien.

Het wijdverspreide idee dat dochters van immigranten het verhoudingsgewijs veel beter doen op school dan jongens wordt door de Oeso studie-ontkracht. Verhoudingsgewijs is het aantal drop-outs onder scholieren met buitenlandse ouders bij zowel jongens als bij meisjes drie keer groter dan onder hun Nederlandse klasgenootjes van gelijke sekse.

Helft

Onder de niet of laagopgeleide jonge mannen met buitenlandse ouders uit het buitenland is de werkloosheid wel veruit het hoogst, namelijk de helft.

Volgens cijfers van het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over het afgelopen derde kwartaal lag de werkloosheid in de periode op vijf procent, voor de gehele beroepsbevolking, ongeacht afkomst.

De Oeso maakte veelal gebruik van cijfers over 2005. Voor dat jaar registreerde het CBS een werkloosheidspercentage van 6,5 procent, wat uitgesplitst kon worden naar 5,6 procent onder mannen en 7,8 procent onder vrouwen.