Met de 'hondsdagen', die deze week van start zijn gegaan, wordt van oudsher de warmste maand van het jaar aangeduid. De Nederlandse taal is rijk aan oude weertermen en -spreuken over de zomer. Waar komen deze vandaan? En bevatten deze wijsheden nog steeds een kern van waarheid?

De oorsprong van de term 'hondsdagen' komt uit de Griekse mythologie en verwijst naar het sterrenbeeld Grote Hond. De jager Orion uit Thebe had een hond met de naam Sirius. Toen Orion overleed, ging hij samen met zijn hond naar de hemel en kreeg hij daar een plekje tussen de sterren. De hond Sirius werd een heldere, goed zichtbare ster.

De hondsdagen beginnen als de ster Sirius samen met de zon opkomt en dan tijdelijk niet te zien is. Dat worden de hondsdagen genoemd. De hondsdagen lopen ongeveer van 20 juli tot 20 augustus en staan bekend om het warme broeierige weer met veel insecten.

In Nederland associëren veel mensen de naam 'hondsdagen' daarentegen met 'hondenweer' - afgeleid van het oud-Nederlandse woord 'ondeweer', wat slecht weer of noodweer betekent. "Het een sluit het ander niet uit: broeierig weer gaat vaak gepaard met onweer", legt traditiedeskundige Ineke Strouken uit.

"En of het nou heet was of regende, het was in elk geval een periode waarin boeren heel goed op hun etenswaren moesten passen. Er waren vroeger nog geen koelkasten of diepvriezers en huizen waren natuurlijk niet geïsoleerd. Eten moest heel bewust in de kelder worden weggestopt, want het bedierf heel snel."

'Is de eerste juli kil en wak, dat brengt veel koren in de zak'

In de Nederlandse taal verwijzen veel oude spreuken, gezegden en weerwijsheden naar de zomerperiode oftewel de 'hondsdagen'. Een oud Twents gezegd luidt bijvoorbeeld 'Wat men tijdens de hondsdagen spaart voor de mond, is voor de kat of hond'.

Andere vroeger veel gebezigde boerenuitdrukkingen over deze periode zijn 'Is er in juli louter zonneschijn, dan krijgen we zeker gouden wijn' of 'Is de eerste juli kil en wak, dat brengt veel koren in de zak'.

Strouken noemt dit soort gezegden nooit 'weerfabels' omdat de meeste uitspraken een harde kern van waarheid bevatten. "Mensen hadden nog geen weerapp of KNMI, maar probeerden wel op basis van hun observatievermogen door de jaren heen bepaalde voorspellingen te doen", legt ze uit. "Dat gold niet alleen voor boeren, maar ook bijvoorbeeld voor marskramers: als je kon voorspellen dat het heel hard ging regenen, dan ging je niet 20 kilometer naar een andere stad lopen."

“Verbanden tussen bijvoorbeeld een hete zomer en een al dan niet koude winter zijn er gewoon niet”
Helga van Leur, weervrouw van RTL

Ervaring en kennis werd van generatie op generatie doorgegeven

Mensen vertrouwden in het verleden op veranderingen in de natuur of op het gedrag van de dieren die ze waarnamen. "Volksweerkunde is geen exacte wetenschap. Maar dat betekent zeker niet dat het onzin is", beklemtoont de traditie-expert. ​

Het is een kwestie van ervaring en kennis die van generatie op generatie werd doorgegeven. Strouken geeft als voorbeeld de uitdrukkingen 'Vliegen de zwaluwen hoog, dan is het weer schoon en droog' en de variant 'Vliegen de zwaluwen laag, dan krijgen we regen vandaag'. "Boeren konden misschien niet verklaren hóe het exact kwam dat de zwaluwen hoog of laag vlogen. Maar als jij honderd keer gezien hebt dat een bepaald gedrag gepaard gaat met een bepaald weertype, dan kan je er redelijk zeker van zijn dat het de 101e keer ook zo zal zijn."

'Ik zie niets op Buienradar'

Meteoroloog Helga van Leur schreef recent het boek Dag & Nacht, waarin zij samen met wetenschapper Govert Schilling duidt wat je kan leren door de lucht en de natuur te observeren. "Wie zich verdiept in de natuur kan op basis van wat je ziet vaak prima voorspellen wat er de komende twee uur met het weer gaat gebeuren", legt ze uit. "We zijn de afgelopen decennia een beetje verleerd om op ons eigen observatievermogen te vertrouwen. Ik kan heel slecht tegen mensen die zeggen 'ik zie niets op Buienradar' terwijl in de verte een enorme donderwolk komt aandrijven."

Veel weerspreuken bevatten ook vanuit wetenschappelijk oogpunt een kern van waarheid, bepleit Van Leur - zeker als ze gaan over een korte periode in de toekomst. "Bepaalde veranderingen in de lucht of bepaald gedrag van dieren kunnen wijzen op weersveranderingen in de zeer nabije toekomst." De weervrouw noemt als voorbeeld het plotseling verschijnen van veel kikkers in een landschap. "Die bewegen zich graag voort in een vochtige omgeving. Dus als je opeens meer kikkers ziet, is de kans dat er vocht in de lucht zit en het binnenkort gaat regenen best groot."

'Ik kan heel slecht tegen mensen die zeggen 'ik zie niets op Buienradar' terwijl in de verte een enorme donderwolk komt aandrijven.' (Foto: Pro Shots)

Voorspellen kan wel, maar niet te ver vooruit

Tegelijkertijd zitten er, meteorologisch gezien, ook veel inconsequenties in spreuken en uitdrukkingen, voegt de RTL-weervrouw toe. De boerenspreuk 'Morgenrood is water in de sloot' (bij een rode hemel in de ochtend komt er regen) is wetenschappelijk wel te onderbouwen: een rode lucht in de ochtend duidt op een hoge luchtvochtigheid. "Maar dat betekent niet automatisch dat het per se gaat regenen", legt Van Leur uit.

"De tegenhanger 'Avondrood, geen nood aan boord', een wijsheid uit de scheepvaart, slaat al helemaal nergens op. Het rode licht in de schemering wordt veroorzaakt door stofdeeltjes, en die zeggen niets over de kans op regen."

Nog veel problematischer wordt het als voorspellingen in spreuken verder proberen te reiken dan een paar uur. "Met hoogwaardige meteorologische apparatuur kunnen we al niet verder dan pakweg twee weken écht onderbouwd voorspellen", legt Van Leur uit. "Verbanden tussen bijvoorbeeld een hete zomer en een al dan niet koude winter zijn er gewoon niet. Dus elke spreuk die die connectie maakt, is wetenschappelijk nergens op gebaseerd."

Dat beaamt traditie-expert Strouken direct. "Oude boerenwijsheden als 'Is het in juli warm, dan bevriezen met kerstmis rijk en arm' of 'De hondsdagen helder en klaar, betekenen een heel goed jaar' klinken natuurlijk leuk. Maar die conclusies lijken vooral op toeval te berusten en niet daadwerkelijk op harde kennis die boeren vroeger gebruikten om hun landbouwbeleid op af te stemmen."