In het racismedebat gaat het de laatste weken ook weer regelmatig over het slavernijverleden van Nederland. Daarvoor hoef je dan ook minder ver terug in de geschiedenis dan veel mensen denken. Officieel schafte Nederland de slavernij op 1 juli 1863 af, maar in de praktijk was het toen niet ineens voorbij.

De dreigende afschaffing van de slavernij zorgde halverwege de negentiende eeuw voor angst in Suriname. Niet bij de tot slaaf gemaakten zelf, die waren ongetwijfeld niet op de hoogte dat dit decreet vanuit Nederland aanstaande was. Wel onder de plantagehouders. Want als alle slaven per half 1863 opeens vrij zouden zijn, wie zou dan het werk doen op de plantages?

De vondst om dat op te lossen is even wrang als misdadig. In de staatscourant waarin het einde van de slavernij wordt aangekondigd met artikel 1, staat ook artikel 3: De krachtens art. 1 vrijgemaakten staan van de 1sten julij 1863 onder een bijzonder toezigt van de Staat, voor den tijd van hoogstens tien jaren.

Nog tien jaar stonden 'voormalige' slaven tussen de vijftien en zestig jaar onder toezicht van de staat om het werk op de plantages te blijven uitvoeren. In de tussentijd kon worden gezocht naar nieuwe arbeiders. De plekken van de slaven - die voornamelijk van Afrikaanse komaf waren - werden uiteindelijk ingevuld door zogenoemde 'contractarbeiders', die vooral afkomstig waren uit Brits-Indië, Java en China.

Hierom is 1873 bij herdenking van slavernij een belangrijk jaartal. Tijdens de demonstratie tegen racisme op de Dam op 1 juni droeg de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema de veelbesproken button met dit jaartal.

De button had ze opgespeld gekregen bij een traditionele bijeenkomst eerder op de dag in haar ambtswoning. Deze vindt elk jaar plaats in aanloop nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij op 1 juli.

Een gestrafte slavin in Suriname. (Foto: Getty Images)

Slavenhandelaren keken de slavenhandel van de Portugezen af

Slavernij is zeker geen Nederlandse uitvinding. De slavenhandel werd in het begin van de zeventiende eeuw afgekeken van met name de Portugezen.

De koloniale machten uit Europa maakten van de slavernij een handel op haast industriële schaal. Vanaf die periode gingen schepen op pad gevuld met ruilobjecten, waaronder veel vuurwapens, naar de Goudkust in West-Afrika om daar slaven op te halen. 

Die mensen ontvoerden de Europeanen, en dus ook de Nederlanders, overigens niet zelf.

Veel van de 'aanwas' werd aangeleverd door de lokale machthebbers, die slaven maakten van krijgsgevangenen, mensen die schulden hadden of die afkochten door hun kinderen af te staan. Ook werden mensen overgekocht van lokale slavenjagers. De Nederlanders kochten de slaven vervolgens weer van de lokale machthebbers in ruil voor hun meegebrachte producten.

Gemiddeld 15 procent van de slaven overlijdt tijdens de overtocht

De trans-Atlantische overtocht was barbaars voor slaven, die met grote aantallen in het ruim gepropt werden. De handelaren zagen de Afrikanen als vee en hun slachtoffers werden dan ook als dusdanig behandeld. De slaven waren geen mensen in de ogen van handelaren, maar pure handelswaar. Als gevolg van de inhumane omstandigheden kwam op de schepen gemiddeld 15 procent van de in het ruim opgesloten mensen te overlijden.

Tijdens de slavenhandel over de Atlantische Oceaan zijn naar schatting tussen de elf en veertien miljoen mensen verscheept naar Amerika. Nederlandse slavenschepen namen er daar zo'n 600.000 van voor hun rekening.

Het is overigens een misvatting om te denken dat alle slaven die in Suriname en op de Antillen leefden, uit Afrika zijn gehaald. Veel slaven zijn geboren op de plantage waar hun ouders te werk waren gesteld en er zijn vele generaties die nooit vrijheid hebben gezien.

De indeling van een Brits slavenschip eind achttiende eeuw. (Foto: Indiana University)

Het economische belang van de slavernij

Uit onderzoek van Pepijn Brandon en Ulbe Bosma uit 2019 blijkt dat het bruto binnenlands product (bbp) van de Nederlandse Republiek in de tweede helft van de achttiende eeuw voor ruim 5 procent gebaseerd was op slavernij. Voor de provincie Holland was dat in 1770 zelfs ruim 10 procent. Een vijfde van alle producten die door Nederland werden verhandeld in die periode werd met behulp van slavenarbeid in het Atlantische gebied verbouwd.

Dat was namelijk het derde deel van wat bekend staat als de 'driehoekshandel': de ruilobjecten gingen van Nederland naar Afrika, de slaven gingen naar Amerika en producten als tabak, suiker en koffie gingen weer naar de Nederlandse Republiek, om daar verder verhandeld te worden. De koffiebonen die in Amsterdam werden gemalen voor een kopje koffie in een grachtenpand waren maanden daarvoor geoogst door een slaaf op een plantage in Suriname, 7.500 kilometer verderop. De slaven bleven ver uit het zicht van de Nederlandse rijkdom.

Op de plantages was het leven hard. Niet alleen door de ellenlange werkdagen (vaak van zonsopkomst tot zonsondergang) en het werken in de brandende zon, maar ook door de zware lijfstraffen en ziektes. Plantagehouders probeerden de omstandigheden na verloop van tijd wel iets te verbeteren, zodat er niet te veel slaven stierven. Dat was echter vooral om economische redenen, niet om humane. Het vervangen van een slaaf die niet meer kon werken of zelfs overleed was kostbaar.

Schepen bij Paramaribo (Foto: Getty Images)

Vluchten naar het oerwoud

Een deel van de slaven vluchtte uiteindelijk het omvangrijke oerwoud van Suriname in om daar met lotgenoten een eigen bestaan op te bouwen. Gemeenschappen die afstammen van deze marrons zijn nog altijd in Suriname en de buurlanden te vinden. Gevluchte slaven werden helaas ook geraakt door het bericht in de staatscourant van dinsdag 26 augustus 1862.

Daarin staat: De tegemoetkoming voor slaven, onverschillig of zij tot plantages en gronden behooren, of als particuliere slaven bekendstaan wordt bepaald op f300 voor ieder hoofd.

Kortom, slavenhouders krijgen 300 gulden 'vergoeding' voor het afstaan van hun slaven. Dit werkte in de hand dat slavenhouders jacht maakten op ontsnapte slaven, om zo veel mogelijk keer 300 gulden te ontvangen van de Nederlandse staat.

Afschaffen van slavernij was niet afschaffing van derderangs behandeling

De afschaffing van de slavernij in 1863 maakte dan wel een einde aan de slavernij, het was geen afschaffing van de derderangs behandeling van mensen met een andere huidskleur.

Na de tien jaar onder 'staatstoezicht' verlieten de voormalige slaven de plantages, om vervangen te worden door de 'contractarbeiders'. Die werden in veel gevallen onder valse voorwendselen of tegen hun wil op het schip naar Suriname gezet.

Veel nazaten van de tot slaaf gemaakten van Afrikaanse komaf en de contractarbeiders uit Azië (Hindoestanen, Javanen en Chinezen) zijn uiteindelijk in Nederland komen wonen.