De nieuwe televisiereeks Krabbé op zoek naar Chagall ging dinsdag van start. NU.nl spreekt met Jeroen Krabbé (75) over zijn fascinatie voor kunstenaars en kijkt samen met hem terug op zijn leven. "Ik denk heel vaak: goh, dat zou ik nog weleens willen doen."

"Nul!" Jeroen Krabbé slaat met de vlakke hand op tafel. Dat doet hij tijdens het interview meerdere malen. Vaak uit enthousiasme over zijn nieuwe serie Krabbé op zoek naar Chagall. Dit keer laat hij de kopjes rinkelen omdat hij lichtelijk verontwaardigd is.

"Ik heb niks met kijkcijfers! Ik ben ver voor het meten ervan begonnen. Het beheerst nu alles en dat is heel erg fout. Het gaat erom of iets goed of niet goed is. Wat me trots heeft gemaakt is dat deze serie zo'n breed publiek heeft. Van de stratenmaker die roept: 'He, Jeroentje! Was mooi gisteravond!', tot en met Dries van Agt (Krabbé zet een zachte stem met licht Brabants accent op, red.): 'Waarde Jeroen, ik heb het gezien en vond het prachtig.'"

"Brieven, mails. Musea hebben een toestroom van duizenden extra bezoekers. Het is ongekend. Maar dáár heb ik het niet voor gedaan! Ik heb het gedaan omdat ik liefde en passie heb voor die kunstenaars en hun werk."

In Krabbé zoekt Chagall volgt de kijker Krabbé, net als in eerdere reeksen over onder anderen Vincent van Gogh en Pablo Picasso, tijdens een persoonlijke zoektocht naar het wezen en werk van de Franse kunstschilder Marc Chagall. De eerste aflevering trok bijna 700.000 kijkers.

Krabbé: "Chagall was mijn held toen ik een jaar of vijf was. Het is een kunstenaar voor kinderen, met een kinderlijke geest. Ik heb destijds getekend en geschilderd à la Chagall."

Dat klinkt best pretentieus.

"Ik bedoel dat hij me inspireerde, niet dat ik nét zo schilderde. In 1956 bezocht ik als kind samen met mijn vader een tentoonstelling van Chagall in het Stedelijk Museum. Toen ik thuiskwam, heb ik een schilderij gemaakt. Dat heeft mijn vader ingelijst en bewaard en werd altijd de Chagall-vis genoemd. Toen ik bezig was met deze serie dacht ik: verdomd, ik moet even naar die Chagall-vis kijken. Toen bleek dat ik een heleboel elementen, die ik als kind in zijn schilderijen gezien had, in die vis had gebruikt."

"Ik was negen toen mijn vader me meenam naar Parijs, om een tentoonstelling van Picasso te bekijken. Hij heeft me toen ook Da Vinci laten zien, het Louvre en het Musée d'Art Moderne. Als ik vroeg wat er op een schilderij stond, zei hij altijd: 'Wat jij daarin ziet.' Dat is toch fantastisch? Ik heb het ook met mijn kinderen gedaan, maar die bleven buiten op de stoep voor het museum zitten. Terwijl Jasper een heel groot schilder is geworden."

Was je teleurgesteld?

"Helemaal niet! Ik zei na afloop alleen dat ze heel veel hadden gemist. Maar dan stonden ze daar met een blikje cola in hun hand en een walkman op hun oren. Ik begrijp niets van opvoeden. Iemand is zoals hij is, dat kun je hooguit bijsturen door te zeggen dat je fatsoenlijk aan tafel hoort te zitten en dient te eten. Maar ze hebben alle drie een ijzeren discipline meegekregen."

“Ik heb over Picasso gezegd dat ik hem een lul vind.”

Je bereidt je een jaar lang voor op zo'n reeks en probeert alles over die kunstenaars te weten te komen. Heb je tijdens de opnames in een totale staat van vervoering weleens iets geconcludeerd, waarvan je op dat moment niet zeker wist of het waar was?

"Ik heb ook een ander vak; acteren. In een script staan zinnen die door iemand anders zijn bedacht. Die heeft daar andere gedachten bij gehad dan degene die het gaat spelen. Ik heb ontdekt dat ik een rol precies zo benader als een kunstenaar in deze serie. Een goede biografie trekt leven en werk van een kunstenaar samen. Ik heb niet één of twee biografieën gelezen, maar wel zestig. Overal pik ik iets van mee en soms vallen de puzzelstukjes op de goede plek. Daaruit kun je destilleren wat er aan de hand was."

"Laten we Gauguin als voorbeeld nemen. Zijn lievelingskind gaat dood, maar daar wordt hij pas veertien dagen later over bericht door zijn ex. 'Nou, ze is overleden. Dag.' Verder niks. Nergens staat hoe hij zich op dat moment voelt. Een paar dagen later begint hij een dagboek over dat meisje. Dan weet ik wat hij gedacht heeft. Dan kan het wel een beetje afwijken van wat er echt is gebeurd, maar ik kom in de buurt van de realiteit."

Vraag je je soms af wat de kunstenaars die je hebt geportretteerd daarvan vinden? Hoor je hun stemmen tijdens het maakproces?

"Ja, heel erg."

Wat zeggen ze?

"Ze vinden het hartstikke fijn. Kijk, ik ben geen wetenschapper of professor. Dat wil ik ook nooit worden, want zo benader ik het niet. Ik benader het van binnenuit. Toen ik vier was, wist ik al wie Chagall, Da Vinci en Picasso waren. Daar zijn bewijzen van, dat heeft mijn vader opgetekend. Het is voor mij gesneden koek. Het is een gevoelsstroom waar ik in probeer te komen en dan begrijp ik ze."

“Ik zei dat ik filmster wilde worden in Hollywood. Dat was mijn doel en dat gebeurde.”

"Ik heb ook commentaar op die kunstenaars. Ik heb over Picasso gezegd dat ik hem een lul vind. Gauguin heb ik verwijten gemaakt. Waarom doe je dit?, vroeg ik me hardop af. Hij heeft Van Gogh in de derrie laten zitten. Weggegooid, bij het vuilnis gezet. Misschien had ik dat ook gedaan, want die man was onmogelijk. Chagall is zijn leven lang opgejaagd en vervolgd door een gruwelijk antisemitisme. Die heeft zich nooit veilig gevoeld. Hij had maar één schuilplek, zijn kunst."

Jeroen Krabbé wist al op zeer jonge leeftijd dat hij acteur wilde worden. (Foto: AVROTROS)

Je bent net 75 geworden. Heb je er alles uitgehaald?

"Uit het leven? Ja. In de eerste klas op de lagere school moesten we voor de klas komen en zeggen wat we wilden worden. Meisjes wilden volgens mij allemaal moeder worden en de jongens bij de brandweer. Ik zei dat ik acteur wilde worden. Het woord acteur was totaal onbekend. En erachteraan zei ik: 'Bij de Comédie-Française in Parijs.' Dat had ik thuis opgevangen. Mijn ouders gingen naar toneel, er werd ook veel Frans gesproken bij ons thuis."

"Ik zei ook dat ik filmster wilde worden in Hollywood. Dat was mijn doel en dat gebeurde. Toen ik voor de eerste keer in Hollywood een filmstudio betrad, was dat een ontroerend moment. Ik voelde dat de cirkel rond was."

Wat is je belangrijkste bijdrage aan de Nederlandse film- en theaterwereld?

"Ik denk Soldaat van Oranje. Ik moest tijdens de opnames van die film ook elke avond ergens in het land toneelspelen. Dan werd ik na het opnemen van filmscènes op het water uit de Noordzee gehaald en naar een theater in Enschede gebracht. Na de voorstelling werd ik 's nachts weer in het water gegooid voor nachtopnamen. Ik vond dat absurd, maar het kon niet anders."

“Niemand zag dat Soldaat van Oranje een klassieker zou worden, echt niet.”

"De première was waanzinnig, er zijn filmbeelden die dat bevestigen. Toen stond er in een recensie van Het Parool over Rutger (Hauer, red.) en mij: 'Twee flapdrolhelden in rokkostuum.' Dat was het. Daar had je dan al die maanden voor gewerkt. Dat zal ik nooit vergeten. Niemand zag dat de film een klassieker zou worden, echt niet."

Als iemand over honderd jaar Op zoek naar Krabbé maakt, waar komen we dan nog achter?

"Laat een ander dat maar uitzoeken. Ik heb een tijdlang gezegd dat ik banketbakker had willen worden. Toen kreeg ik een aanbod van een banketbakker uit Zeist om een taartje te komen maken. Dat ging best. Ik denk heel vaak: goh, dat zou ik nog weleens willen doen. Van die rare dingen."

Wat voor rare dingen?

"Nou, gebakjes ontwerpen. Dat is toch raar, dat je dat wil?"