Herman Finkers maakt op 65-jarige leeftijd zijn filmdebuut. In De Beentjes van Sint-Hildegard speelt hij een man die dreigt te verstikken onder de liefde van zijn echtgenote. In het echte leven kampt hij al meer dan vijftien jaar met lymfatische leukemie. "Ik zou al een paar jaar dood moeten zijn, maar ik ben er nog steeds."

"Ach, wat mooi. Ik weet wat dit is. Ik heb daar nog een stripboek van. Wil je het zelf niet hebben? Wat geweldig!"

Het interview met Finkers vindt plaats op de persdag van De Beentjes van Sint-Hildegard. De nieuwe film van Johan Nijenhuis (Costa, Onze Jongens). Finkers schreef niet alleen het scenario van de tragische komedie, maar koos samen met Nijenhuis ook zijn directe tegenspelers uit. Dat resulteerde onder meer in een hoofdrol voor Johanna ter Steege.

Voordat het gesprek begint, ontvangt Finkers van de interviewer het ep'tje Ik bak ze bruiner. Vier door Gerard Reve geschreven en ingesproken sprookjes. Uitgebracht in 1966. Terwijl hij het plaatje bekijkt, lijken zijn heldere blauwe ogen nog lichter te worden: "Ik heb een keer Reve's Eendje Kwak kookt zijn eigen potje voorgelezen. De kinderen die aanwezig waren kwamen niet meer bij van het lachen."

In uw huis hangen meerdere portretten van Reve.

"Hoe weet je dat?"

In het recente nummer van het tijdschrift Zin staat een fotoreportage.

"Er hangt een schilderij van Gerrit Breteler en een of twee foto's."

Reve werd in de jaren zestig voor de rechter gedaagd, omdat hij in een tijdschrift en in het boek Nader tot U beschreef hoe god op aarde verscheen in de gedaante van een ezel en hoe hij anale seks met die ezel zou hebben. In de openingsscène van De Beentjes van Sint-Hildegard zien we een oude man een wandeling met een ezel maken. Is dat een eerbetoon aan Reve?

"Die associatie was er niet. Maar nu vraag ik me wel af waarom ik die ezel daar in heb gestopt. (Denkt even na.) Die man moest een pelgrim zijn en pelgrims hebben vaak een ezel bij zich. Als het een eerbetoon was, had ik er nog een scène met die ezel bij moeten schrijven."

“Ik heb een tijd gedacht dat ik een muilezel wilde.”

U heeft ooit gezegd dat Monty Python's Life of Brian niet op Goede Vrijdag uitgezonden mag worden, maar dat Reve seks heeft met god in gedaante van een ezel vindt u grappig.

"Ik vind het niet grappig, maar wel diepgaand. Reve zei in zijn verdediging voor de rechtbank dat het in oude Griekse mythen heel normaal is dat goden in dieren veranderen en vervolgens gemeenschap met mensen hebben. Life of Brian is mijn lievelingsfilm, maar die moet je niet op Goede Vrijdag uitzenden. Ik trad ook nooit op op die dag, ook niet op dodenherdenking. Ik vind het niet gepast om dan een vrolijke cabaretvoorstelling op te voeren. Dat hoort gewoon niet."

In een essay dat u na het overlijden van Reve schreef, vertelt u hoe u 's nachts het graf van hem in het Belgische Machelen-aan-de-Leie bezocht. Waarom deed u dat?

"Omdat de poort open was. Normaal gesproken is een kerkhof na zonsondergang gesloten. Het zag er heel triest uit. (stilte) Ik heb altijd een zwak gehad voor muilezels, die vind ik nog aandoenlijker dan gewone ezels. Op bedevaartstocht in het Spaanse El Rocío heb ik ze goed leren kennen. Tijdens een processie wordt het houten beeld van de Heilige Maagd Maria uit de Hermitage van El Rocío gedragen. Er vormt zich een gigantische massa van één miljoen pelgrims voor die kerk. Helemaal vooraan staan jongens met een brancard te wachten, tot ze een ingeving krijgen van de heilige geest. Dat kan een kwartier duren, maar ook de hele nacht. Je weet nooit wanneer de maagd de kerk verlaat. Soms ontstaat het gerucht dat ze komt en dan gaat er een gekte door die mensenmassa."

"Op het moment dat ze daadwerkelijk naar buiten wordt gedragen, voel je een enorme ontlading. Mensen beginnen te huilen. Ik zag dat beeld naar buiten komen, maar dat ging helemaal heen en weer. Toen ik erachter wilde komen hoe dat kwam, zag ik allemaal jonge mannen naar voren lopen en elkaar verdringen. Alle testosteron kwam daarbij naar buiten. Hun ogen waren wijd opengesperd en het zweet gutste van hun lijven. Er hing een echte mannenlucht. Het waren net jonge stieren. Toen ik in de buurt van het beeld kwam, zag ik dat er gevochten werd. Jongens van andere broederschappen wilden het beeld ook dragen, maar oudere gezaghebbende mannen sloegen daar tegenin. Terwijl ik naar die knokpartij keek, dacht ik: die maagd wordt niet vereerd, maar verkracht."

"Toen ik vervolgens voelde hoe iemand mijn zakken probeerde te rollen, werd het me allemaal teveel. Ik ben naar een belendend plein gelopen waar allemaal koetsjes met muilezels stonden. Die straalden zo'n gelatenheid uit. 'Doe met me wat je wilt, sla me maar. Ik zal blijven trekken', leken ze te zeggen. Daar ben ik toen gewoon tussen gaan zitten. Ik heb daarna een tijdje gedacht dat ik thuis ook een muilezel wilde."

De kalmerende werking van het dier zou in die zin goed passen bij de kapel in uw huis.

"Maar die bevindt zich onder de grond, ik krijg zo'n ezel de trap niet af."

Als u vertelt dat u een kapel in uw huis heeft laten bouwen, verbaast dat mensen soms?

"Ja en daar verbaas ik me dan weer over. Want als ik een kinderkamer zou laten zien, dan stelt niemand daar een vraag over. Een kapel vind ik logischer."

In de glas in lood-ramen van uw kapel staan de heiligen waar u en uw vrouw naar vernoemd zijn afgebeeld. Voelt u zich een kind van God als u in die kapel bent?

"Nee. (lacht) Ik denk niet in dat soort termen. Maar een kind van Maria zeker."

Maar toen u in 2009 na zeven jaar afwezigheid terugkeerde op het toneel met de voorstelling Na de pauze, begon u met psalm 131. Daarin staat …

"'Ik ben stil geworden, zoals een kleine bij de moeder ligt.' Maar toen was ik ook letterlijk stiller geworden, omdat ik niet meer optrad en ziek werd. Dan word je stiller, ik was niet meer in het circus aanwezig."

“Je houdt een hostie omhoog en zegt dat 't het lichaam van Christus is. Absurd.”

Hoe voelt u zich nu?

"Nou, het is op en af."

Stelt God u soms ook teleur?

"Daar heb ik geen last van. Heeft Hij het weer gedaan, zeker? Moet je luisteren, ik zou al een paar jaar dood moeten zijn, maar ik ben er nog steeds. Omdat er steeds nieuwe medicijnen worden uitgevonden. Ik voel me vooral heel nederig en dankbaar. Ik ken genoeg mensen die na mij dezelfde ziekte kregen en zijn overleden. Ik voel me heel erg beschaamd. Het is toch idioot, waarom moesten zij dood en ik niet?"

Mag u van zichzelf af en toe een baaldag hebben?

"Dat heb je weleens en dan geneer ik me daarvoor. Dan moet je jezelf bij de lurven pakken. Ik ben eigenlijk niet zo'n hypochonder of tobber. De meeste komieken zijn zwaar op de hand, daar heb ik geen last van."

Finkers beschrijft zichzelf als "een religieus wezen dat soms de fysieke behoefte voelt om naar een kerk te gaan". Hoewel De Beentjes van Sint-Hildegard volgens hem "maar twee katholieke scènes" bevat, heeft Finkers het geloof in zijn werk nooit losgelaten.

Het jongste bewijs wordt geleverd door de Gregoriaanse meezingmis Missa in mysterium, waarmee hij samen met het zangkoor Wishful Singing door de Nederlandse kerken trekt.

"Ik heb die mis geregisseerd, omdat ik wilde vaststellen of ik goed gezien heb waar ik in het geloof naar op zoek ben. God kun je niet omschrijven. Je kunt alleen een vorm bedenken voor de omgang met het mysterie en dat doe ik op een artistieke manier. Het katholicisme zit vol tegenstrijdigheden. Je houdt een hostie omhoog en zegt dat 't het lichaam van Christus is. Absurd. Maria is de Moeder van God, maar Hij is ook Haar Schepper. Ze baart dus Haar eigen Schepper. Bizar. Maar dat is wat opluchting brengt en mij troost. Ons bestaan is ook absurd. Denk alleen aan het immense universum waarin we leven. Dat is overweldigend. Je weet niet óf er wat achter zit en wát er dan achter zou zitten. Maar je kunt niet zeggen: 'Ik praat en denk daar niet over, want ik kom er toch niet uit'. Dan onderdruk je iets."

Relativeert dat overweldigende en dat absurde ook de angst voor de dood?

"Ik ben wel bang voor sterven, maar niet bang voor de dood. Ik zou angst hebben als ik nooit dood zou gaan. Dat je eindeloos blijft leven, lijkt me de hel. Als je ouder wordt, verandert dat. Hoeveel oude mensen zeggen wel niet: 'Ik vind het wel goed zo'? Maar ik ben nu 65, het is nog te vroeg voor mij."