Lagere dekkingsgraden, grotere kans op pensioenkortingen, maar ons pensioenstelsel is wel het beste van de wereld. Toegegeven, het pensioendossier brengt ons ook weleens in verwarring. Tien vragen over onze pensioenen die je misschien niet meer durft te stellen.

Laten we bij het begin beginnen, ons pensioenstelsel, hoe werkt dit?

Ons stelsel, waarvan we onze oude dag moeten betalen, bestaat uit drie pijlers: de AOW, aanvullende pensioenopbouw via de werkgever én vrijwillige pensioenvoorziening.

De AOW vormt de basis. Iedereen die in Nederland woont of werkt is hier automatisch voor verzekerd. Per jaar dat je hiervoor verzekerd bent, bouw je 2 procent op. Na vijftig jaar is de AOW dus volledig opgebouwd. De hoogte hiervan hangt af van het feit of je alleen woont of met iemand samen. De maximale AOW voor een alleenstaande ligt momenteel op 1.158,22 euro netto per maand.

Het moment van uitbetalen hangt af van de AOW-leeftijd. Deze gaat nog weleens omhoog, omdat we steeds ouder worden én omdat de samenstelling van de bevolking verandert. De groep Nederlanders die werkt wordt relatief gezien steeds kleiner, terwijl de gepensioneerde groep steeds groter wordt.

Hoe bouwen we daarnaast pensioen op?

Dat gaat via de tweede pijler, het deel waar zoveel over geschreven wordt. Iemand die werkt betaalt samen met de werkgever pensioenpremie, wat in de meeste gevallen naar een pensioenfonds gaat.

De werknemer betaalt ongeveer een derde van de premie en de werkgever twee derde. Omdat de pensioenpremie van het maandsalaris wordt ingehouden, wordt het aanvullend pensioen ook wel 'achtergehouden loon' genoemd.

Maar dan zullen pensioenfondsen inmiddels op een aardige berg centen zitten?

Klopt, de totale omvang van Nederlandse pensioenfondsen ligt volgens de laatste cijfers (oktober 2019) van De Nederlandsche Bank (DNB) op 1.588 miljard euro. Om te laten zien hoe gigantisch die berg is: de totale omvang van de Nederlandse economie lag in 2018 op 774 miljard euro. De geldberg van de pensioenfondsen is dus ruim twee keer zo groot.

Pensioenfondsen beleggen dit vervolgens in effecten als aandelen en obligaties, om deze geldberg nog verder te laten groeien. Hierdoor krijgen deelnemers van pensioenfondsen meer geld terug dan ze zelf aan premies inleggen.

Waarom moeten pensioenfondsen korten als ze op zoveel geld zitten?

Pensioenkortingen, of pensioenverlagingen, lijken de laatste maanden onafwendbaar. Dit alles heeft te maken met de dekkingsgraden van de pensioenfondsen. Met de dekkingsgraad wordt de verhouding bedoeld tussen de omvang van de geldberg en hoeveel mensen daar de komende paar jaar een stukje van willen. Bij een dekkingsgraad van 100 procent, zijn de twee in evenwicht.

Het probleem is nu dat het systeem niet meer in evenwicht is; het is onderaan de geldberg dringen geblazen om deze te beklimmen. Hierdoor zijn de dekkingsgraden van de fondsen onder de wettelijke norm van 104,3 procent (gemiddeld over twaalf maanden) beland.

Hoe staan de pensioenfondsen er voor?

Niet best. De dekkingsgraden zijn over de afgelopen maanden hard onderuitgegaan. Het grootste pensioenfonds van Nederland, ABP, zag de dekkingsgraad in het derde kwartaal dalen naar 91 procent. Het fonds heeft gezegd dat pensioenverlagingen zullen volgen wanneer de dekkingsgraad op 31 december onder de 95 procent ligt.

Ook andere pensioenfondsen, zoals Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) en PME, zagen hun dekkingsgraden eind september dalen naar respectievelijk 92,2 procent en 93,4 procent. Met bpfBOUW, het op twee na grootste pensioenfonds, gaat het nog wel prima. De dekkingsgraad daalde wel naar 108,1 procent, maar zit daarmee nog relatief comfortabel boven de kritische grens.

Dekkingsgraden van vier grootste pensioenfondsen

  • ABP - 91 procent
  • PZFW - 92,2 procent
  • PME - 93,4 procent
  • bpfBOUW - 108,1 procent

Waarom dalen die dekkingsgraden zo snel?

Hier wordt het ietsje technischer. Het heeft alles te maken met de lage rente op de kapitaalmarkten. De rente is historisch laag, vanwege het stimuleringsbeleid van de Europese Centrale Bank (ECB).

Op basis van die rente wordt een zogeheten rekenrente bepaald door DNB en de overheid. Tegen dit tarief moeten fondsen hun toekomstige verplichtingen verrekenen. Hoe lager die rekenrente, hoe meer de fondsen nu in kas moeten hebben. Stel, je verwacht volgend jaar een maandelijks aanvullend pensioen van 202 euro per maand, met een rente van 1 procent. Dan moet het fonds 200 euro in kas hebben. Bij een hogere rente is dat een stuk minder.

De geldberg van de pensioenfondsen is dus in de afgelopen maanden niet plotseling geslonken, maar de fondsen moeten meer geld in kas houden om aan toekomstige verplichtingen te voldoen.

Wat betekent dit voor mijn oude dag?

Dat is lastig te zeggen, omdat het nog niet zeker is dat er gekort wordt en hoe groot die korting zal zijn. Ook kan iemand bij meerdere pensioenfondsen aangesloten zijn en kunnen eventuele kortingen per fonds verschillen.

Gepensioneerden vangen de hardste klap van eventuele kortingen, omdat zij de gevolgen direct in hun portemonnees voelen. Een verlaging zal ook werkenden raken, maar zij voelen het niet direct.

Zijn er nog andere opties dan een verlaging van de pensioenen?

Zeker. Bij een verlaging van de pensioenen zorg je ervoor dat iedereen een kleiner stukje van de geldberg krijgt. Een andere optie zou zijn om juist naar de andere kant te kijken: het vergroten van de geldberg. Dit zou kunnen via een verhoging van de pensioenpremie.

Kortingen, hogere premies, ik dacht dat wij het beste pensioenstelsel hadden?

Dat hebben we ook, als we de jaarlijkse Global Pension Index van adviesbureau Mercer moeten geloven. Het adviesbureau schreef maandag dat Nederland het beste pensioenstelsel heeft, gevolgd door Denemarken.

"We zijn met elkaar kritisch, en dat is ook goed want alleen dan kun je de kwaliteit blijven borgen. Maar soms is het goed om door dit soort onderzoeken je zegeningen te koesteren en te beseffen dat we het wereldwijd gezien erg goed voor elkaar hebben", aldus Marc Heemskerk, pensioenexpert bij Mercer.

“Soms is het goed om te beseffen dat we het wereldwijd erg goed voor elkaar hebben”
Marc Heemskerk, adviesbureau Mercer

De methode van Mercer is echter niet onomstreden. Het adviesbureau gebruikt bij de berekening cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), die een vertekend beeld van de werkelijkheid geven, stelde hoogleraar Marike Knoef maandag in De Volkskrant. De OESO-cijfers gaan er volgens haar van uit dat een persoon zijn of haar hele leven hetzelfde inkomen krijgt, zonder rekening te houden met bijvoorbeeld werkloosheid. Deze cijfers zouden dus hoger uitvallen dan in de werkelijkheid.

Kan ik zelf nog iets ondernemen om pensioenkortingen op te vangen?

Je zal wel denken: jullie hebben maar twee van de drie pijlers uitgelegd. Tot nu. De derde pijler, de individuele pensioenvoorziening, biedt hier namelijk uitkomst. Deze is speciaal in het leven geroepen voor mensen die naast hun AOW'tje en aanvullende pensioen nog extra pensioen willen opbouwen.

Hieronder vallen regelingen als lijfrenten, koopsommen en levensverzekeringen. Dit zijn regelingen waarmee je met een belastingvoordeel een pensioengat kan opvullen of extra kan opbouwen, om zo misschien eerder met pensioen te gaan.

Deze regeling is vooral van belang voor zelfstandigen: zij zijn niet in loondienst en bouwen dus ook geen pensioen op via de werkgever. Als een zzp'er zelf niets regelt, krijgt hij of zij bij pensionering of arbeidsongeschiktheid slechts een AOW'tje.