Op Eerste Paasdag pleegden terroristen zelfmoordaanslagen op drie kerken en drie vijfsterrenhotels in Sri Lanka, met honderden doden tot gevolg. In de zoektocht naar het hoe en waarom komt de gecompliceerde en bloedige geschiedenis van het land al snel bovendrijven.

Britse koloniale tijd (1815-1948)

Het moderne Sri Lanka ontstond in 1948, toen de Britse kolonie Ceylon onafhankelijk werd. Al tijdens de koloniale tijd waren er spanningen tussen twee etnische groepen: de boeddhistische Singalezen, ongeveer 75 procent van de Sri Lankaanse bevolking, en de overwegend hindoeïstische Tamils.

De Tamils worden onderverdeeld in Sri Lankaanse Tamils (11,2 procent van de totale bevolking) en Indiase Tamils (4,2 procent). Laatstgenoemde groep stamt grotendeels af van dwangarbeiders die vanaf de negentiende eeuw door de Britten uit de Indiase deelstaat Tamil Nadu werden gehaald om op koffie-, rubber- en theeplantages te werken.

De Britse koloniale regering bevoordeelde de Tamil-minderheid ten opzichte van de Singalezen: zij kregen betere scholen en meer toegang tot overheidsfuncties.

Dat was deel van de verdeel-en-heersstrategie die Europese koloniale machten ook gebruikten in landen zoals Soedan en Rwanda - en die ook daar leidde tot ernstig verstoorde verhoudingen tussen verschillende bevolkingsgroepen.

Lont in het kruitvat na onafhankelijkheid (1948-1983)

Na de onafhankelijkheid voerde de Singalese meerderheid op zijn beurt wetten in die de Tamil-minderheid benadeelden. Zo werd het Singalees in 1956 de enige officiële landstaal. Dat was een manier om Tamils, die de taal vaak niet vloeiend beheersten, uit het ambtenarenapparaat te weren.

De gespannen verhouding tussen de Singalezen en de Tamils leidde al snel tot geweld. Tijdens de jaren vijftig vonden er een aantal anti-Tamil pogroms (gewelddadige aanvallen op bepaalde groepen) plaats, waarbij honderden tot duizenden mensen de dood vonden.

Vanaf het einde van de jaren zestig wonnen afscheidingsbewegingen die een Tamil-staat wilden vestigen aan invloed. In het noorden en oosten van het land, waar overwegend Tamils woonden, ontstonden militante groeperingen, zoals de Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE, kortweg Tamil Tijgers).

De Tamil Tijgers lokten in juli 1983 een Sri Lankaanse legerpatrouille in de val en doodden dertien soldaten. Dat leidde tot een pogrom in Colombo, waarbij naar schatting vierhonderd tot drieduizend Tamils werden vermoord door nationalistische Singalezen. Duizenden Tamils sloegen op de vlucht.

De Sri Lankaanse regering vocht tussen 1983 en 2009 een bloedige burgeroorlog uit met Tamils die een eigen staat wilden vestigen. (Foto: AFP).

Sri Lankaanse burgeroorlog (1983-2009)

Deze pogrom, die bekend kwam te staan als 'Zwarte Juli', geldt als het begin van de Sri Lankaanse burgeroorlog. In de loop van het conflict, dat ruim 25 jaar duurde, slokten de Tamil Tijgers de andere Tamil-afscheidingsbewegingen op. Ze ontvingen steun uit India, waar ongeveer zeventig miljoen Tamils wonen.

Op hun hoogtepunt hadden de Tamils ongeveer een derde van Sri Lanka in handen. Ze claimden ook een afschuwelijke primeur: het was de eerste groepering die gebruikmaakte van zelfmoordaanslagen.

De oorlog kostte het leven aan naar schatting 70.000 tot 100.000 mensen. Beide kampen maakten zich veelvuldig schuldig aan mensenrechtenschendingen.

Uiteindelijk dolven de Tamil Tijgers het onderspit: in 2009 werden ze vernietigend verslagen door het Sri Lankaanse leger en legden ze de wapens neer.

Na de oorlog (2009-2019)

De Sri Lankaanse regering werd na het einde van de burgeroorlog een stuk minder militaristisch. Tot een internationaal tribunaal dat oorlogsmisdadigers moet vervolgen en definitief moet afrekenen met de nalatenschap van de oorlog - een nadrukkelijke wens van de VN - is het vooralsnog echter niet gekomen.

Sri Lanka richtte zich economisch op de toeristenindustrie. Het land verwachtte dit jaar 2,5 miljoen buitenlandse toeristen, vijf keer zoveel als in 2008, een jaar voor het einde van de burgeroorlog.

Met de nederlaag van de Tamil Tijgers werden etnische scheidslijnen een minder grote bron van conflict, maar namen religieuze spanningen toe. Het aantal hindoes was na de oorlog flink afgenomen, maar nationalisten uit de boeddhistische meerderheid (70 procent) beschouwen ook de islamitische (9,6 procent) en christelijke (7,6 procent) minderheden als een bedreiging voor de Sri Lankaanse nationale en culturele eenheid.

Extremistische boeddhisten hebben in het verleden af en toe christelijke groepen aangevallen, richten zich voornamelijk tegen moslims, die onder meer worden gewantrouwd omdat ze financiële steun ontvangen uit de Arabische Golfstaten.

Sinds 2012 vinden er regelmatig anti-islamitische rellen plaats. Die worden aangemoedigd door de invloedrijke nationalistisch-boeddhistische organisatie Bodu Bala Sena (BBS). Oud-president en huidig oppositieleider Mahinda Rajapaksa is verbonden aan die groep.

De aanslagen op Eerste Paasdag kostten het leven aan zeker 253 mensen. Het grote aantal afgerukte ledematen bemoeilijkt het vaststellen van het precieze aantal slachtoffers, zeggen de autoriteiten. (Foto: AFP)

Aanslagen Eerste Paasdag bedreigen fragiele vrede

De gruwelijke aanslagen op Eerste Paasdag zijn niet makkelijk in te passen in de gewelddadige geschiedenis van het onafhankelijke Sri Lanka.

Aanvankelijk werd gevreesd voor een heropleving van de Tamil Tijgers, maar dat had de keuze voor christenen als doelwit vreemd gemaakt. De Tijgers vielen die groep nooit eerder aan en christelijke Tamils speelden een prominente rol binnen de afscheidingsbeweging.

De autoriteiten zeggen dat twee Sri Lankaanse extremistische islamitische groeperingen betrokken waren bij de aanslagen. Beide groepen zijn echter klein, obscuur en werden niet eerder in verband gebracht met gecoördineerd geweld.

De frame 'moslims versus christenen' schuurt ook met de oude Sri Lankaanse geweldspatronen. De islamitische en christelijke bevolkingsgroepen leven samen in relatieve vrede. Deskundigen vragen zich af waarom de boeddhistische meerderheid niet als doelwit werd genomen. Die is immers verantwoordelijk voor veel meer repressie van en geweld tegen moslims dan de Sri Lankaanse christenen.

Welke rol speelde IS?

De betrokkenheid van buitenstaanders kan de doorslag hebben gegeven.

Jihadistische organisaties staan elders in de wereld wel bekend om hun aanslagen op kerken tijdens christelijke feestdagen. In de afgelopen jaren reisden bovendien enkele tientallen Sri Lankaanse moslims naar Syrië en Irak om zich aan te sluiten bij Islamitische Staat (IS). Mogelijk namen zij IS-gedachtegoed mee terug naar huis na de val van het Kalifaat.

IS heeft de verantwoordelijkheid voor de paasaanslagen opgeëist, maar leverde daarvoor nog geen doorslaggevend bewijs. De Sri Lankaanse autoriteiten stellen ook dat IS betrokken was en jagen op sympathisanten, maar het optreden van de overheid wekt tot nu toe weinig vertrouwen.

De regering wordt verscheurd door een interne machtsstrijd. President Maithripala Sirisena probeerde eind vorig jaar premier Ranil Wickremasighe te ontslaan en oud-president Rajapaksa te benoemen tot zijn vervanger. Het hooggerechtshof stak daar een stokje voor.

Die politieke rivaliteit speelde mogelijk een rol bij het verzwijgen van inlichtingen waarin werd gewaarschuwd voor de aanslagen op Eerste Paasdag. Indiase veiligheidsdiensten stelden hun Sri Lankaanse vakgenoten maanden geleden in veel detail op de hoogte van een concrete dreiging, maar die deden niets met de informatie.

Instabiliteit speelt boeddhistische nationalisten in de kaart

De kans is groot dat de religieuze en etnische stabiliteit, die is verslechterd door de aanslagen, de nationalistische boeddhisten tot voordeel zal strekken.

Oud-president Rajapaksa, onder wiens leiding de Tamil Tijgers werden verslagen en die zelf wordt verdacht van oorlogsmisdrijven, wil later dit jaar deelnemen aan de verkiezingen. Hij en de zijnen zullen dan waarschijnlijk stellen dat Rajapaksa de enige is die IS buiten de deur kan houden.