Sociale media spelen niet alleen een vermakelijke rol, maar vormen ook een serieuze bron van informatie. Dat bleek eerder deze week een vloek en een zegen in de nasleep van de aanslag in Utrecht.

"Naar aanleiding van het schietincident van het 24 Oktoberplein adviseert de gemeente Utrecht, de politie en het OM iedereen in Utrecht binnen te blijven tot er meer bekend is", schreef de gemeente Utrecht maandag op Twitter. "Nieuwe incidenten worden niet uitgesloten."

Maandag schoot een man in Utrecht drie inzittenden van een tram bij het 24 Oktoberplein dood. Daarnaast raakte een aantal inzittenden zwaargewond. Het duurde niet lang voordat de eerste informatie online via sociale media werd gedeeld. Dit was de eerste tweet die de politie er maandagmorgen aan wijdde:

'Binnenblijven tot nader order'

Er ontstond aanvankelijk enige verwarring in de berichtgeving op het internet, zeker omdat niet direct duidelijk was wat er precies was gebeurd. Voor instanties als de gemeente Utrecht en de politie was informeren en duidelijkheid scheppen daarom belangrijk.

Met een reeks tweets werd bijvoorbeeld uitgelegd dat het terrein rondom de tram was afgezet. "De traumahelikopters Lifeliner1, Lifeliner2 en Lifeliner3 zijn ingezet voor een schietincident in een tram in Utrecht", meldde het officiële account achter de inzet van traumahelikopters.

Ook hield de politie mensen op de hoogte bij vorderingen en werd afgeraden de plaats van de schietpartij te bezoeken. De Utrechtse burgemeester Jan van Zanen sprak inwoners van de stad in een video toe en adviseerde mensen "binnen te blijven".

Dat advies werd niet in de laatste plaats uitgegeven omdat de verdachte nog vrij rondliep. Inmiddels had de politie een afbeelding verspreid waarop het gezicht van hoofdverdachte Gökmen T. zichtbaar was.

Foto van de hoofdverdachte

"De politie vraagt u uit te kijken naar de 37-jarige Gökmen T. (geboren in Turkije) in verband met het incident vanmorgen aan het 24 Oktoberplein in Utrecht", stond in de inmiddels gewiste tweet. "Benader hem niet zelf, maar bel direct de opsporingstiplijn."

Zo'n foto wordt alleen in noodzakelijke situaties verspreid, zegt politiewoordvoerder Joost Lanshage. "Het Openbaar Ministerie maakt die afweging met andere betrokken partijen."

Ook op andere manieren werden mensen opgeroepen om informatie te delen, namelijk via een tool op een speciale webpagina van de politie. "Heeft u foto's of filmmateriaal van het incident in Utrecht of vlak daarna? Verspreid ze niet via sociale media, maar stuur ze naar de politie", luidde een oproep.

Delen van beeld is toegestaan

Journalist Yelle Tieleman was na het incident als een van de eersten aanwezig op het 24 Oktoberplein. Hij plaatste een foto van de situatie.

Het delen van dit soort foto's en video's op Twitter of Facebook is an sich niet verboden, benadrukt Lanshage. "Het staat burgers vrij om beelden te maken en te verspreiden. Maar we riepen wel op om ze ook via een tool te delen. De beelden kunnen als bewijs dienen en ons helpen bij de opsporing van een verdachte. Het geeft ons inzicht in wat er is gebeurd."

Henk van Ess, datajournalist bij Bellingcat en expert als het gaat om zoeken op sociale media en internet, zegt dat de politie het publiek vaak nodig heeft. "De politie mag bijvoorbeeld een Facebook-profiel bezoeken, maar na een paar keer wordt het gezien als stelselmatig volgen." Facebook-gebruikers kunnen dat echter zo vaak doen als ze zelf willen. "Een burger mag op het web vaak veel meer dan de politie, daarom is de informatie van het publiek soms zo belangrijk."

Goede en slechte mensen gebruiken sociale media

Het openbaar delen van informatie heeft een keerzijde. De verdachte kon bijvoorbeeld meekijken en zien waar de politie zich bevond. "Net ook inval geweest in De Gasperistraat (De Gasperilaan, red.) in Utrecht", schreef iemand op Twitter. Met een filmpje werd de actie vastgelegd en online gezet.

"Het is een duivels dilemma", zegt Van Ess. "Er is een leger van zelfverklaarde meezoekers ontstaan. Bij hen zie ik motivaties van meelevendheid tot sensatiezucht. Crowdsourcing werkt beide kanten op: het wordt gebruikt door zowel goede als slechte mensen."

"De vraag die je jezelf moet stellen: ga je bewust met de informatie om?", vult Lanshage aan. Niet iedereen voelt die verantwoordelijkheid. Zo werd op de dag van de aanslag oude en onjuiste informatie gedeeld.

Gedeelde informatie klopt niet altijd

Iemand maakte bijvoorbeeld een nepaccount aan dat zich voordeed als de politie in Papendal. Op het account werd informatie rondom de aanslag gedeeld. De daadwerkelijke politie voelde de noodzaak om daarop te reageren.

Ook circuleerde een tweet van iemand die zich voordeed als GroenLinks-leider Jesse Klaver. "Schandalig, waarom heeft de mogelijke verdachte geen balkje voor de ogen en staat zijn achternaam en afkomst erbij", schreef het account. "Dit is stigmatiserend en moeten we niet willen. Racisme van de politie!"

"Ontzettend hinderlijk", noemt Van Ess dit soort berichten. "Bedenk dat je bij elke foute grap of nepbewijs het onderzoek kunt vertragen. Het is niet grappig om informatie te faken: het frustreert het echte werk van de politie."

Sociale media zouden uiteindelijk geen rol hebben gespeeld bij de aanhouding van de man op maandagavond. De verdachte werd volgens bronnen van het AD en De Telegraaf aangehouden, doordat hij geld had overgemaakt met een geleende telefoon. De politie hield zijn bankgegevens in de gaten en kon zo achter het adres komen waar hij zich schuilhield. De aanhouding was vervolgens dankzij buurtbewoners wel op sociale media te volgen.