Op het elfde uur van de elfde dag van de elfde maand van 1918, honderd jaar geleden, brachten de handtekeningen van Franse, Britse en Duitse afgevaardigden de kanonnen tot zwijgen. De Eerste Wereldoorlog was voorbij. Hoe verliep de eerste industriële oorlog?

In de vier jaar die de 'oorlog der oorlogen' duurde kwamen zo'n tien miljoen soldaten en acht miljoen burgers om het leven. Meer dan twintig miljoen militairen liepen verwondingen op, fysiek en mentaal, die hun verdere levens vaak blijvend en ingrijpend zouden veranderen.

Een generatie stierf, vermalen door machinegeweervuur en granaatscherven, verdronken in ondergelopen kraters in modderige velden of bezweken aan honger en ziekte. De Grote Oorlog claimde 4 procent van de Franse bevolking, een vergelijkbaar percentage van de Duitse, 15 procent van de Ottomaanse en tot een derde van de Servische. De overlevenden bleven in shock achter.

De Eerste Wereldoorlog begon in 1914, maar de basis ervan werd over de koers van tientallen jaren gelegd in een complex netwerk van nationale belangen, internationale verdragen en vurig nationalisme.

Europa was een kruitvat

Het Europa van rond de eeuwwisseling was een kruitvat van landen die het niet per se erg vonden om er een lont in te steken. Zodra de vlam erin schoot, kon niemand meer terug.

De Duitsers hadden pas dertig jaar een verenigde natie en blaakten van het zelfvertrouwen. Keizer Wilhelm II, die het rijk als absolute heerser leidde, had stevige koloniale ambities en zag het Verenigd Koninkrijk (VK) en diens machtige marine als zijn grote rivaal op dat front. Duitsland bouwde daarom een eigen marine op. Het leidde tot een lange wapenwedloop op zee.

De groeiende militaire macht van Duitsland was voor andere Europese landen een overtuigende reden om oude grieven opzij te zetten.

Na bijna duizend jaar van vijandschap en rivaliteit sloten het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, een andere koloniale grootmacht, in 1904 een bondgenootschap. Het tsaristische Rusland sloot zich in 1907 aan, waarmee het 'Triple Entente' een feit was. Het verbond moest dienen als een krachtig tegenwicht voor de Triple Alliantie tussen het Duitse Keizerrijk, Oostenrijk-Hongarije en het koninkrijk Italië.

Duitsland wilde ook 'plek in de zon'

Het onderlinge gekonkel van de Europese rivalen werd in Berlijn met afgrijzen gevolgd. Het einddoel van Frankrijk, het VK en Rusland was voor de Duitsers duidelijk: "Deutschland ganzlich einzukreisen" - de volledige omsingeling van Duitsland.

Duitsland schudde in "glimmend harnas" een "gepantserde vuist" en eiste "een plek in de zon" op, naast de andere grootmachten. Die zou zo nodig worden afgedwongen met Duits "bloed en ijzer".

In Parijs, Londen, Berlijn, Wenen en Sint Petersburg maakte men zich klaar voor de krachtmeting die moest beslissen wie de grootste Europese grootmacht zou worden. De hoge officieren legden de oorlogsdraaiboeken klaar.

Dat België een belangrijke rol zou spelen, was van meet af aan duidelijk. Dat land was na de Napoleontische oorlogen in het begin van de negentiende eeuw door de Europese grootmachten bij Nederland gevoegd, maar kwam daar in 1830 tegen in opstand.

Met Britse goedkeuring werd het onafhankelijke België een neutrale bufferstaat, waardoor de oostkust van het eiland Groot-Brittannië werd veiliggesteld en een eventuele heropleving van Franse ambities kon worden ingetoomd. Een Duitse aanval op Frankrijk, of vice versa, kon niet plaatsvinden zonder de Belgische neutraliteit te schenden. Omdat die werd gegarandeerd door de Britten, zou dat hen ook bij het conflict betrekken.

De Duitse generaal Von Schlieffen plande de invasie van Frankrijk. De rechtermouw van de verst geplaatste soldaat op de rechterflank moest daarbij het Kanaal raken, schreef hij.

Frankrijk maakte zich ook klaar voor een invasie van Duitsland, maar besloot eerst af te wachten tot de Duitsers de Belgische neutraliteit zouden schenden.

De Duitse keizer Willem II (r.) en zijn generaal Otto von Emmich in overleg aan het front in 1914 (foto: AFP)

Het ging snel toen de eerste dominosteen viel

Het (letterlijke) startschot voor de Eerste Wereldoorlog kwam in 1914, in het Bosnische Sarajevo, waar de troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, aartshertog Franz Ferdinand, op bezoek kwam.

De Balkan was al jaren onrustig. Servië had zich met Austro-Hongaarse hulp bevrijd van Ottomaanse overheersing, maar die hadden daarbij wel Bosnië geannexeerd. Servië wilde dat graag zelf inlijven om een Groot-Servisch koninkrijk te stichten. Een groepje Bosnische-Serviërs beraamde een aanslag, aangestuurd door de Servische geheime dienst. Franz Ferdinand en zijn echtgenote Sophie werden op 28 juni doodgeschoten door de student Gavrilo Princip.

De dominostenen begonnen te vallen. Duitsland gaf Oostenrijk een vrijbrief om te doen wat het nodig achtte. Dat bleek de militaire inlijving van Servië te zijn, hoewel er geen bewijs was gevonden dat de Serviërs achter de moordaanslag op Franz Ferdinand zaten. Op 28 juli werd de oorlog verklaard.

Nederland liet weten neutraal te zullen blijven in wat er ging komen. Die neutraliteit zou worden gerespecteerd.

De Servische bondgenoot Rusland vreesde verlies van invloed op de Balkan en mobiliseerde het leger, de eerste van de grote mobilisaties. Duitsland beschouwde dat als onacceptabel, mobiliseerde ook en verklaarde Rusland de oorlog. Een klein deel van de Duitse strijdmacht werd naar het oosten gestuurd, maar het grootste deel maakte zich op voor de mars naar het echte doelwit: Parijs. Frankrijk riep haar mannelijke bevolking onder de wapenen.

Op 3 augustus verklaarde Duitsland Frankrijk de oorlog en kreeg België een ultimatum om de Duitse troepen doorgang te verlenen naar de Franse grens. Dat werd geweigerd. Een dag later vielen de Duitsers België binnen en verklaarde het Verenigd Koninkrijk Duitsland de oorlog. De Eerste Wereldoorlog was nu echt begonnen.

De Verenigde Staten bleven in eerste instantie neutraal. Pas in 1917 zouden zij de oorlog binnenkomen aan de kant van de geallieerde Entente.

Een Duitse prent waarop een gemobiliseerde soldaat met een ferme handdruk afscheid neemt van zijn echtgenote (foto: AFP)

Veel Europeanen verheugden zich op de oorlog

Wat met een moderne blik opvalt aan het begin van de oorlog, is dat men er veel zin in leek te hebben.

In West-Europa was de zomer van 1914 zonnig en warm. Perfect weer voor een veldtocht. In alle betrokken landen werd druk gediscussieerd over de vraag of de oorlog een, twee of drie maanden zou duren. Mensen die dachten dat het eerder zes maanden zou zijn, werden weggezet als onverbeterlijke pessimisten.

De populaire Engelse dichteres Jessie Pope zweepte de Britten op met patriottistische gedichten op een lichte, jolige toon. Haar bekendste werk, Wie is er klaar voor het Spel?, presenteerde het strijdgewoel als een manier voor dappere jonge mannen om hun land te dienen en een geweldig avontuur te beleven.

In Parijs snapte men dat Frankrijk, met haar kleinere bevolking en lagere geboortecijfer, militair niet kon opboksen tegen Duitsland. De oplossing voor dit probleem was het élan vital, een uniek Franse strijdlust in de geest van het volkslied Marseillaise. De pure Franse wil om te winnen zou de Duitsers het onderspit laten delven.

Ingekleurde prentkaarten tonen verschillende uniformen van Franse soldaten aan het begin van de Eerste Wereldoorlog (foto: AFP)

Strijd in West-Europa liep vast in dodelijke patstelling

Hoewel de Eerste Wereldoorlog, zoals de naam al aangeeft, niet alleen in West-Europa werd uitgevochten, lag daar wel het belangrijkste front. De Duitse opmars in Frankrijk werd in 1914 ternauwernood gestuit in de Slag bij de Marne. De Duitsers wisten zich op hun beurt in het oosten de Russen van het lijf te houden, met hulp van het Austro-Hongaarse rijk.

De strijd in West-Europa liep al snel vast. De Duitsers konden hun invasieplannen niet voortzetten en de Fransen en Britten konden hen niet terugdringen. Beide kanten groeven zich in voor wat een lange uitputtingsslag zou worden, in plaats van de snelle, beslissende opmarsen waarvoor was gepland.

Nieuwe militaire technieken, zoals machinegeweren, artillerie met explosieve munitie, gifgas, betonnen bunkers en loopgraven maakten het heel moeilijk om grond te veroveren op een ingegraven vijand. Artillerie eiste veruit de meeste slachtoffers.

De patstelling weerhield de legerleidingen er niet van om toch offensieven te lanceren. Die brachten ongekend hoge verliezen met zich mee. Voor een paar kilometers terreinwinst werd betaald met honderdduizenden levens. Vaak werden die kilometers korte tijd later weer terugveroverd door de vijand. Slagvelden waren eerder slachtvelden: bij de Slag aan de Somme (1916) sneuvelde bijvoorbeeld ruim één miljoen van de drie miljoen deelnemende soldaten aan beide zijden.

Ook als soldaten niet over the top moesten om de vijand te bestormen, was het leven in de loopgraven niet makkelijk. Geestdodende saaiheid werd onderbroken door lange artilleriebombardementen en kogels van scherpschutters. De leefomstandigheden waren zwaar, vooral tijdens de winters.

Een Franse soldaat houdt een schedel omhoog op een Europees slagveld, foto ongedateerd (foto: AFP)

De eerste industriële oorlog

De Eerste Wereldoorlog begon met de romantiek van een voorbije tijd: die van cavalerie te paard, gewapend met sabels en gekleed in felgekleurde uniformen. Dat beeld maakte al snel plaats voor dat van infanterie in uniformen in doffe bruin- of grijstinten om ze minder zichtbaar te maken voor de vijand en diens machinegeweren. De paarden werden vervangen door de eerste tanks en gevechtsvliegtuigen.

De strijd werd niet langer alleen uitgevochten door legers, maar was veranderd in een sociale, economische en militaire uitputtingsslag, waarin iedereen in de maatschappij zijn of haar steentje diende bij te dragen. Oorlogsvoering was industrieel geworden.

Pas in 1917 keerde het tij. Rusland stapte uit de oorlog, nadat de Oktoberrevolutie een einde maakte aan het bewind van de tsaren. De Verenigde Staten stapten in aan de kant van de geallieerden en wisten met hun frisse troepen en krachtige economie de balans te doen doorslaan. Duitsland gaf zich over.

De Duitse, Oostenrijks-Hongaarse, Russische en Ottomaanse keizerrijken overleefden de oorlog niet. De grenzen binnen Europa veranderden drastisch. Het vredesverdrag dat de oorlog beëindigde, de Vrede van Versailles, trok verhoudingen tussen overwinnaars en verliezers die direct zouden bijdragen aan het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog.

Franse soldaten bemannen een artilleriestuk. Artilleriebeschietingen eisten veruit de meeste levens tijdens de Eerste Wereldoorlog (foto: AFP)

Overlevenden zochten tussen de puinhopen naar zingeving

De aanloop naar en de eerste jaren van de Eerste Wereldoorlog waren het terrein van de vorsten van Europa, van vaderlandslievende jongelingen die dapper voorwaarts stormden om hun vlag de victorie te bezorgen, van het nationalisme van bloed en ijzer en lotsbestemming.

In 1918, tussen de puinhopen, de massagraven en de legioenen van mannen met missende ledematen of gebroken geesten, waren die stemmen verstomd. De overlevenden zochten wanhopig naar een antwoord op de vraag hoe dit alles had kunnen gebeuren.

Het romantische patriottisme van propagandisten zoals Jessie Pope maakte plaats voor de ervaringen van schrijvers en andere kunstenaars die zelf in de loopgraven hadden gevochten en hun maten daar bij bosjes hadden zien sterven, zoals de Britse dichter Wilfred Owen.

De blozende jongelingen die in 1914 vol goede moed naar het avontuur waren getrokken, bestonden niet meer, maakte Owen duidelijk. De romantiek van oorlog was dood. "Kromgebogen, als oude bedelaars onder hun knapzak, vloekten we ons, hoestend als oude wijven, met knikkende knieën een weg door het slijk."

Het slot van Owens bekendste gedicht, Dulce et Decorum, is zijn antwoord op het jolige Wie is er klaar voor het Spel? van Pope. Zijn beschrijving van een gifgasaanval is een bittere aanklacht tegen het nationalisme dat hem naar de loopgraven stuurde. Owen kwam daar nooit meer uit: hij sneuvelde precies een week voor het einde van de oorlog, 25 jaar oud.