De media zetten zich schrap voor 1 april, de dag waarop het is toegestaan mensen te foppen of neppersberichten de wereld in te zenden. Maar is deze officieuze feestdag niet achterhaald in deze tijden van 'fake news' en afkalvend vertrouwen in objectief nieuws?

Gamma lanceerde geurverf. CheapTickets introduceerde speciale reizen met anesthesie, voor passagiers met slaapproblemen en baby's kunnen volgens de Efteling dankzij speciale stoeltjes ook een ritje maken in de Python.

De Hema kwam met een speciale rookworstvlaai 'op een dun laagje originele hotdogsaus'. En ijsmaker Ola zou stoppen met de productie van haar iconische Raketjes.

Het is zomaar een greep uit de 1 april-grappen die bedrijven het afgelopen jaar op de media afvuurden. De strapatsen hebben zich pas de afgelopen jaren opvallend richting de media verplaatst, constateert wetenschapper Peter Burger van de Universiteit Leiden. Hij doet al een kwart eeuw onderzoek naar nepnieuws en factchecken.

Verdwenen cultuurgoed

"De ouderwetse 1 april-grappen zijn een beetje verdwenen als cultuurgoed", stelt hij. In de zestiende eeuw werden mensen om boodschappen gestuurd die niet bestonden - hier komt ook de Belgische term 'verzenderkensdag' vandaan.

"Nu wordt dat soort grappen eigenlijk alleen nog maar uitgehaald met nieuwelingen op de werkvloer. Het gebeurt vooral bij organisaties met een sterk hiërarchische structuur, zoals het leger of een ziekenhuis. En ook daar is het minder populair geworden."

De grappendag lijkt tegenwoordig vooral te worden 'gevierd' in kranten, op websites en in televisieprogramma’s. Sommige programma’s, zoals het Jeugdjournaal, hebben er inmiddels een smakelijke traditie van gemaakt.

Ongeschreven afspraak

Hoofddocent journalistiek Huub Wijfjes van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) ziet er eigenlijk geen kwaad in. "Het is een ongeschreven afspraak dat er op 1 april grappige persberichten kunnen worden verstuurd", vindt hij.

"Het is een vorm van duidelijk nepnieuws dat openlijk ingestoken wordt. Een goed journalist kan een doorzichtig persbericht met één telefoontje 'ontmaskeren'. Het is de keuze aan media zelf of zij mee doen aan een grap of niet. Ik denk persoonlijk wel dat nepberichten, hoe doorzichtig ook, ten koste gaan van je eigen geloofwaardigheid."

Afgebakende grap

Ook Thomas Bruning van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) vindt niet dat 1 april afgeschaft hoeft te worden. "Het is een traditie waar de journalistiek op zijn eigen manier aan deel kan blijven nemen", vindt hij. "Elk medium moet zelf bepalen in welke mate en welke vorm. Soms kan een bepaalde vorm van 'nepnieuws', mits heel helder afgebakend, prima werken."

Als voorbeeld noemt Bruning de satirische rubriek De Speld in de Volkskrant. "Er zal geen lezer zijn die denkt dat het hier om serieuze journalistieke berichtgeving gaat."

Tony Chocolonely

Grotere problemen dan grappig bedoelde persberichten óp 1 april zijn fopverhalen op de andere 364 dagen van het jaar. "Op 1 april zijn de media alert op flauwe geintjes", stelt Burger. "Maar er gebeurt steeds vaker dat bedrijven op andere dagen met nepberichten aankomen."

Zo kondigde het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) half januari 2017 aan mee te gaan doen aan de Tweede Kamerverkiezingen - wat niet waar was - en ook de beursgang van Tony Chocolonely eind september bleek een grap te zijn. Het fake-bericht dat Tilburg in juni 2014 een 'homowijk' zou overwegen werd zelfs in samenspraak met de burgemeester de wereld in geholpen.

"Bedrijven of organisaties willen aandacht voor hun product of doel vragen en gaan daar heel ver voor", analyseert Burger. "Maar in dit soort gevallen, als het geen 1 april is en een woordvoerder van een officiële instantie blijft ontkennen dat het geen grap is, kan je het media niet verwijten."

Journalisten belazeren

Ook NVJ-voorman Bruning heeft geen goed woord over voor bedrijven die buiten 1 april nepberichten de wereld in helpen. "Op die dag zijn journalisten echt wel alert", stelt hij. "Maar op alle andere dagen is een grote schande als je journalisten belazert."

De media worden in dat geval soms aangevallen op het feit dat zij nepnieuws melden. "Maar een woordvoerder van een gemeente is een officiële bron. Als jij als journalist je werk doet en zo iemand bevestigt een verhaal of persbericht, dan ligt de fout zeker niet bij de journalist. Je neemt dan als woordvoerder, gemeente of bedrijf jouw publieke taak niet serieus."

Ideologisch kenmerk

Volgens Huub Wijfjes van de Universiteit Groningen is 'nepnieuws' een term die tegenwoordig ook erg snel in elke context wordt gebruikt. "Doorzichtige 1 april-lolligheid is van een heel andere orde dan 'fake news' zonder enige feitelijke basis dat een bepaalde partij met een duidelijk ideologisch kenmerk en een eigen agenda als waarheid naar buiten brengt", legt hij uit.

De hoogleraar heeft niet het gevoel dat de Nederlandse media op dit moment erg lijden onder dit laatste fenomeen. "Op sociale media worden zeker berichten verspreid die onder de noemer 'nepnieuws' vallen. Maar die bereiken volgens mij vooral mensen die toch niet echt geïnteresseerd zijn in het lezen van serieus nieuws. Het is zeer onterecht om onachtzaamheid of slordige journalistiek óók maar meteen in die categorie weg te zetten."

Wijfjes erkent dat ook grote gezaghebbende Nederlandse media de afgelopen jaren in dit opzicht misstappen hebben gemaakt. "Maar als het probleem zich beperkt tot een paar incidenten, kunnen de media het wel hebben. Journalistiek wordt in Nederland tamelijk goed bedreven; de betrouwbaarheid en feitelijkheid is relatief hoog. In die traditie past volgens mij ook enige extra alertheid rond 1 april."

Lees meer achtergrondverhalen in NUweekend