Jules Deelder: De onsterfelijkheid heb ik al bereikt

Jules Deelder (72) schreef dit jaar het poëziegeschenk, maakte een tentoonstelling voor de Kunsthal, toert met zijn band De Deelderiers en injecteert nog steeds speed. "Ik laat mezelf niet fotograferen terwijl ik op een schijthuis zit te spuiten."

Deelder draagt een zwarte broek, zwarte blouse, zwarte trui, zwarte jas, zwarte handschoenen en een zwarte hoed.

Op zijn neus rust een zilverkleurige, plastic zonnebril met glitters. Op weg naar de auto, waar het interview plaatsvindt, is hij stil. Deelder lijkt in niets op de man die we van televisie kennen, de eeuwige spraakwaterval. De tafelgast die Eva Jinek woensdagavond tot wanhoop dreef, omdat hij in haar praatprogramma maar voor zijn beurt bleef spreken.

Als Deelder plaatsneemt op de passagiersstoel begint hij te praten: "De lol van het autorijden is er helemaal van af. Je kunt nergens meer doorrijden. Je wordt de hele tijd in de gaten gehouden."

Twee jaar geleden reed hij voor het laatst. In een Citroën CX, zijn lievelingsauto. "Ik heb er nog een te koop staan, tien ruggen." Twee keer moest hij zijn rijbewijs inleveren, omdat hij te hard ging. "Maar ik ben gewoon doorgereden." Daarnaast heeft hij zware ongelukken meegemaakt. "Magere Hein stond meerdere malen langs de weg te liften, maar ik heb hem nooit meegenomen."

Voor de Poëzieweek schreef je het Poëziegeschenk Rotterdamse Kost, daarin speelt eten een grote rol.

"Achterop staat: ‘Lang leve de dichter, waarvan?’ Nou, van Rotterdamse Kost. Ah joh, humor. Alles heeft humor nodig. Anders is het niet te genieten."

Je wordt dit jaar 73, dicht je nog met dezelfde drift en agressie?

"Ik ben niet agressief, wel assertief. Maar ik word ouder en milder, dat is gewoon zo. Ik ben trouwens nooit iemand te lijf gegaan. We zijn namelijk elkaars lotgenoten. We gaan allemaal de pijp uit, daarom zijn we gelijk."

In 2000 verscheen jouw gedicht De Ziekte van Hedel, een snoeiharde afrekening met Amsterdam. Dat heb je nooit meer geëvenaard.

"Mensen zeggen soms: 'Schrijf nog eens zoiets', maar dat heeft geen zin. De hyperbool van dat gedicht ging ver, maar je kon er wel om lachen. Het was een geoorloofde overdrijving. Ik heb er destijds geen gelazer mee gehad. Dat zou nu misschien wel zijn gebeurd. De tenen van mensen zijn ondertussen meterslang geworden. Ik verwacht nu wel iets uit de Turkse hoek, omdat ik in Rotterdamse Kost de kapsalon beschrijf. 'Waar geen hond brood van lust, maar een Turk wel pap'. Maar het is wel hier uitgevonden!"

Je hebt een expositie voor De Kunsthal gemaakt, onder meer met behulp van injectienaalden.

"Beeldende kunst! Doe ik ook joh. Die injectiespuiten zijn mijn materiaal. Daar kun je wat van maken. Net als een schilder die met verf werkt. Ik stond er versteld van. Zolang er maar uitkomt wat er in zit, maakt het mij het niet uit welke vorm het heeft."

Leef je een beetje gezond?

"Naar de maatstaven van anderen niet, maar ik ben nu al veel ouder geworden dan mijn vader. En ik heb nog nooit in een ziekenhuis gelegen."

Gebruik je nog steeds drugs?

"Natuurlijk. Iedereen moet voor zichzelf uitzoeken waar hij of zij zich het beste bij voelt. Er zijn mensen die bij ieder pijntje naar de dokter lopen. Alsof dat de reden van het bestaan is. Er zijn mensen die zich telkens helemaal laten nakijken. Ja, dan vinden ze altijd wel wat. Je kunt het wel willen uitstellen, maar je moet toch ergens dood aan gaan."

Je klinkt heel rationeel, huiver je niet als je aan de dood denkt?

"Totaal niet. Als je sterft keer je terug naar het witte licht waar je uit voortkomt. Ik heb in mijn leven echt alles gebruikt wat god verboden heeft. En een heleboel dingen waarvan god niet weet dat het bestaat. Maar je moet er niet mee te koop lopen. Als iemand mij vraagt of ik gebruik ga ik niet liegen. Maar ik laat mezelf niet fotograferen terwijl ik op een schijthuis zit te spuiten. Dat werkt misschien wervend. Die gozer van de GGD in Rotterdam zei jaren terug tegen mij dat de junks in de stad mij als voorbeeld zien. 'Met die Deelder gebeurt ook niks', zouden ze hebben gezegd."

“Je maakt het niet bewust mee als je dood gaat”
Jules Deelder

Vind je het storend als je het er weer over moet hebben?

"Het is voor anderen misschien interessant. Voor mij is het niks bijzonders. Ik raad het niet aan, de meeste mensen kunnen er niet tegen. Maar waarom zou ik ermee moeten stoppen? Omdat ik er dood aan ga? Je gaat aan alles dood. Die laatste tien jaar red ik ook nog wel."

En je bent geen oude gek geworden.

"Omdat ik vind dat je iedere dag opnieuw moet beginnen. Je bent nooit ouder dan een dag. Ja toch? Voor mijn gevoel word ik niet ouder. Er zit iets in iedereen, een kern, die in feite nooit verandert. De externe omstandigheden doen dat natuurlijk wel."

Waar blijft die kern als je overlijdt? Wat zal jouw nalatenschap zijn?

"Er gaat niets verloren. Alles zal in dat witte licht opgaan. En daar komt ook weer alles uit voort. Dat is moeilijk te beschrijven, want je maakt het niet bewust mee als je dood gaat."

Dat is niet bewezen.

"Nou, dan moet je eens een goede trip nemen. Je bent je niet langer bewust van jezelf en weet niet meer waar jouw omgeving begint en jij eindigt. Alles gaat bewegen, de stoelen, de asbak, de muren. Het is een dans der atomen. Je bent één met alles. Dan verlies je je ego."

Als je komt te overlijden, zullen actualiteitenprogramma’s minstens een avond aan je wijden. Hoe moet zoiets eruit komen te zien?

"Dat zal me aan mijn reet roesten. Je zult vast veel mensen horen zeggen: 'Jules Deelder, jeugdvriend van me'. (lacht cynisch) De onsterfelijkheid heb ik al bereikt en ik heb nog steeds het gevoel dat ik honderd jaar mee kan. Mensen zeggen; 'Je moet niet denken dat je bijzonder bent'. Nou, dat denk ik niet. Dat weet ik wel zeker."

Lees meer achtergrondverhalen in NUweekend

Lees meer over:

NUshop

Tip de redactie