Grote lijnen van de geschiedenis winnen 'stammenstrijd' in onderwijs

Voor het eerst krijgen leerlingen op alle scholen dit jaar te maken met het eindexamen geschiedenis in nieuwe stijl. 

Ze moeten laten zien dat ze thuis zijn in de grote lijnen van de geschiedenis, maar dat betekent nog niet het einde van de jaartallen die ze uit hun hoofd moeten kennen. Daar is niet iedereen blij mee. "Dat ondergraaft de positie van het vak."

Even twee weken de stof voor het eindexamen geschiedenis stampen is er dit jaar niet meer bij.

Middelbare scholieren moesten zich tot nu toe concentreren op twee thema’s waar ze veel van moeten weten, maar in 2015 is alles anders:

Op 18 mei horen de scholieren iets te weten van de prehistorische jagers en boeren, maar moeten ze ook thuis zijn in het tijdperk van televisie en computers dat na de Tweede Wereldoorlog aanbrak. En alles wat daartussen ligt natuurlijk.

“Er heeft zich een stammenstrijd afgespeeld.”
Geschiedenisleraar Ton van der Schans


Het is een gigantische verandering, zegt Albert van der Kaap van expertisecentrum SLO, dat zich onder meer bezighoudt met de ontwikkeling van examenprogramma’s op scholen. En het ging niet zonder slag of stoot, blijkt uit de woorden van geschiedenisleraar Ton van der Schans, voorzitter van beroepsvereniging VGN.

Van der Schans heeft het over een "stammenstrijd" tussen onderwijskundigen en historische vakmensen die zich de laatste jaren heeft afgespeeld. Inzet van die strijd was grofweg: moeten leerlingen nog steeds namen en jaartallen leren, of moeten ze meer vertrouwd zijn met de grote lijn.

In die stammenstrijd is Arie Wilschut al een tijdje afgehaakt, terwijl deze historicus en vakdidacticus begin deze eeuw juist nauw betrokken was bij het op de schop nemen van het geschiedenisonderwijs.

Hij vindt dat het nieuwe examen nog te veel vol zit met feitjes die leerlingen uit hun hoofd moeten kennen. De bedoeling was juist dat ze in de geschiedenislessen zouden leren om gebeurtenissen in hun tijd te plaatsen, om bepaalde verschijnselen te kunnen herkennen als typisch voor een periode.

De historie in tien mootjes

In het nieuwe geschiedenisonderwijs is de historie in tien mootjes gehakt: tien tijdvakken met aansprekende namen, die gemakkelijk te onthouden zijn. De achttiende eeuw heet dan de tijd van pruiken en revoluties. Van elk van die tijdvakken moeten de leerlingen weten om te gaan met een aantal zaken die typisch zijn voor die tijd.

Als een leerling in zijn eigen stad een oude fabriek ziet, moet hij die kunnen herkennen als een product van de industrialisatie van de tweede helft van de negentiende eeuw. "Dat is nuttig", zegt Wilschut. "Daar heb je meer aan dan precies te weten dat een willekeurige zeventiende-eeuwse persoon eerst dit en toen dat heeft gedaan in die tijd."

De nieuwe lessen en examens zijn de afgelopen jaren uitgeprobeerd in havo en later ook vwo. Uit onderzoek dat Van der Kaap op de proefscholen deed, bleek de nieuwe aanpak goed te bevallen, beter dan verwacht zelfs, want doorgaans staat niet iedereen meteen te juichen bij vernieuwingen in het onderwijs .

"Men was heel enthousiast", zegt hij. "Zo enthousiast dat sommige collega's dachten dat ze in de maling werden genomen."

Maar er was wel een probleem: het was lastiger geworden om goede examenvragen te bedenken nu niet meer precies vastligt welke feiten de leerlingen moeten kennen.

Van der Kaap geeft een voorbeeld: leerlingen kregen een tekst voorgeschoteld waarin een dochter van de Duitse keizer vertelt over de Eerste Wereldoorlog. Op de vraag of de dochter een goed beeld van die oorlog schetste, antwoordde een examenkandidaat ontkennend: Nee, de oorlog was veel erger dan de dochter zei, denk maar aan het gebruik van atoombommen. 

Het antwoord mocht niet fout gerekend worden omdat in de typering van die periode geen onderscheid gemaakt wordt tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Dus werd voor een aantal onderwerpen toch weer meer vastgelegd wat de leerlingen moeten weten: onder meer over de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en over de Koude Oorlog.

'Toch weer een rij willekeurige feiten'

Onderwijsvernieuwer Wilschut, lector didactiek van de maatschappijvakken aan de Hogeschool van Amsterdam, was hier al afgehaakt. Hij spreekt van een compromis dat voortkomt uit onwennigheid en behoudzucht van geschiedenisleraren.

"Men kan moeilijk loskomen van het beeld van geschiedenis als iets dat gereproduceerd moet worden, in plaats van geschiedenis die ergens voor gebruikt wordt. Nu zit er in het examen weer een hele rij redelijk willekeurig gekozen feitelijke zaken die gewoon uit het hoofd geleerd moeten worden."

De nieuwe opzet, die uitgaat van een oriëntatie op de geschiedenis, dreigt er in zijn ogen nu bij in te schieten. "Die dreigt het onderspit te delven. Dat ondergraaft de positie van het vak." Dat het moeilijk zou zijn om examenvragen te bedenken, gaat er bij Wilschut niet in. Hij vindt dat het Cito, dat de vragen opstelt, gewoon zijn werk moet doen.

De geschiedenisleraren waren er ook mee ingenomen dat leerlingen in het nieuwe geschiedenisonderwijs weer meer overzicht van de chronologie krijgen, in plaats van zich blind te staren op twee thema’s.

"Vroeger wisten leerlingen alles van heel weinig, nu weten ze minder van alles”, zoals VGN-voorzitter Van der Schans het uitdrukt. Hij is wel te spreken over het compromis tussen vernieuwende vakdidactici en geschiedenisdocenten die belang hechten aan de feiten.

"Als je historische vaardigheden goed wilt beheersen, heb je kennis nodig. Zonder kennis blijven de feiten stom. Er is nu een betere balans. Er ligt nu weer meer accent op kennis, minder op vaardigheden. Allebei zijn aanwezig."

Een denkvak of een leervak?

En de leerlingen?  Op de scholen die hebben proefgedraaid met het nieuwe examen vroeg Van der Kaap naar hun mening. Leerlingen begrijpen dat geschiedenis een vak is waarin het vooral gaat om historisch denken en redeneren.

Maar ook in hun opvattingen weerklinkt de discussie die de afgelopen jaren is gevoerd. Zij vinden geschiedenis in hoge mate een denkvak, maar noemen het ook een leervak.

Maar vinden ze de geschiedenis ook nog een beetje interessant? Dat wisselt: de tijd van de wereldoorlogen is het meest in trek, van middeleeuwen zijn ze minder gecharmeerd en ook de tijd van regenten en vorsten (zeventiende eeuw) is minder populair. Die vinden leerlingen moeilijk.

Tip van de onderzoeker voor nieuwe onderwerpen: de tijd van de Grieken en de Romeinen en de tijd van ontdekkers en hervormers (zestiende eeuw). Die vallen bij de scholieren wel in de smaak.

Meer langere verhalen en achtergronden op NUweekend

Lees meer over:
Tip de redactie