Het was begin augustus 1944 toen er een telefoontje binnenkwam bij het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD) in Amsterdam. Aan de Prinsengracht 263 zouden zich Joden verborgen houden. 

Kort daarna, op de warme zomerochtend van vrijdag 4 augustus, viel SS-Oberscharführer Karl Joseph Silberbauer met enkele Nederlandse politiemannen het grachtenpand binnen.

Silberbauer wist de weg, zo leek het. Hij vond al snel de boekenkast die de ingang naar het achterhuis verborg. Het zou het einde betekenen voor Anne Frank, haar zus Margot en moeder Edith. Anne overleed ruim een half jaar later in het concentratiekamp Bergen-Belsen. Vader Otto zou als enige van het gezin de oorlog overleven.

De grote vraag was sindsdien: wie pleegde het geheimzinnige telefoontje naar de SD? Wie verraadde de familie Frank en de vier andere Joden die zich in het achterhuis al meer dan twee jaar verborgen hielden?

“Of we de naam nu wel of niet te weten komen, het zal de geschiedenis op geen enkele manier veranderen.”
Oud-onderzoeker David Barnouw

​In de deze week verschenen biografie over Bep Voskuijl (1919-1983), één van de helpers van Anne Frank en haar familie in het achterhuis, wordt mogelijk een nieuw licht op de zaak geworpen.

Beps eigen zus Nelly Voskuijl (overleden in 2001) is wellicht de anonieme beller geweest die de SD op het spoor van Anne Frank en haar familie zette, schrijven de auteurs Jeroen de Bruyn en Joop van Wijk. Harde bewijzen zijn er niet, wel aanwijzingen, zeggen ze.

"Maar het is wel de pijnlijke en duidelijke conclusie dat we Nelly kunnen toevoegen aan de inmiddels lange lijst van verdachten."

Er is sinds de jaren 60 voortdurend gespeurd door journalisten, wetenschappers, boekenschrijvers en andere onderzoekers naar de tipgever. Dat leidde tot een lijst van in totaal zo’n twintig verdachten.

Sommigen hadden de schijn tegen, bij anderen was het vooral speculeren, maar hét antwoord op die ene cruciale vraag (wie belde de SD?) is na ruim 70 jaar nog steeds onbevredigend: niemand die het weet het.

Ook SS'er Silberbauer, die begin jaren zeventig overleed, kende de naam van de geheimzinnige beller niet, zo verklaarde hij na de oorlog. Zijn meerdere op het Amsterdamse hoofdkwartier van de SD misschien wel. Maar die had, met de nederlaag van nazi-Duitsland in zicht, in 1945 zelfmoord gepleegd.

Hoe valide is de suggestie dat Nelly Voskuijl het beruchte telefoontje pleegde? ''Ik geloof er weinig van", zegt Anne Frank-kenner David Barnouw, die in de jaren tachtig voor het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) uitgebreid onderzoek deed naar alle verraadtheorieën

"Om de paar jaar duikt er wel weer een nieuwe verdachte of theorie op." Ook de Anne Frank Stichting gelooft er niet in.

“Gaan jullie maar naar jullie Joden?”
Nelly Voskuijl

Nelly Voskuijl heeft wel eens een venijnige opmerking gemaakt (''Gaan jullie maar naar jullie Joden"), weet Barnouw. Maar als zij de tipgeefster was, had ze ook geweten dat er niet twee (waar de Sicherheitsdienst aanvankelijk van uit ging) maar acht Joden in het achterhuis verborgen zaten.

Dat zou ze ongetwijfeld aan de politie hebben gemeld, denkt Barnouw. ''Silberbauer moest op 4 augustus 1944 het hoofdkwartier zelfs bellen en vragen om een grotere auto voor het wegvoeren van de acht", zegt Barnouw.

Barnouw sprak in de jaren 80 al eens met Nelly Voskuijl, toen hij voor het Niod uitgebreid onderzoek deed naar het verraad van Anne Frank. ''Ze vertelde dat ze voor de Duitsers had gewerkt." Maar er was toen ook geen enkel bewijs dat zij het telefoontje had gepleegd.

''En dat geldt eigenlijk voor alle direct betrokkenen in en rond het achterhuis. We hebben toen al de conclusie getrokken dat we die allemaal op de lijst van verdachten kunnen doorstrepen, inclusief Nelly."

Onvoorzichtigheid onderduikers

Het meest waarschijnlijke is, denkt Barnouw, dat onvoorzichtigheid de Joodse onderduikers uiteindelijk fataal is geworden. Anne Frank schrijft in haar dagboek dat ze vaak uit de ramen keken, die weer uitkeken op honderden andere vensters.

"Als jij iemand ziet, ziet iemand jou ook. Er waren honderden mensen die wisten dat er iets speelde in het pand. Er hoeft maar één iemand te zijn die het vertelt in de kroeg, die het weer doorvertelt enzovoort."

Barnouw heeft niet de illusie dat de identiteit van de geheimzinnige beller ooit bekend wordt.

"We zijn indertijd alle verdachten uitgebreid langs gegaan. Er is altijd een vermoeden, een wellicht, een misschien. Maar hard bewijs is er niet en zal er ook niet meer komen. Ook als iemand op zijn sterfbed bekent, zal ik zeggen: nou nee, die zoekt op zijn einde nog een one minute of fame."

Heel belangrijk is het eigenlijk ook niet meer, relativeert Barnouw. ''Of we de naam van de beller wel of niet te weten komen, het zal de geschiedenis op geen enkele manier veranderen."

Wie waren door de jaren heen de voornaamste verdachten?

1. Willem van Maaren

Twee keer werd tegen Willem van Maaren (1895-1971) een onderzoek ingesteld, in 1948 en in 1963. Van Maaren werkte in de oorlog in het magazijn onder het achterhuis en had, ook vanwege kleine diefstallen, geen beste reputatie.

Na de oorlog verdachten enkele helpers van de familie Frank, onder wie Miep Gies, hem van het verraad, maar in beide onderzoeken is dat nooit vast komen te staan. Van Maaren heeft ook altijd ten stelligste ontkend dat hij het telefoontje met de SD heeft gepleegd.

Barnouw: "Het eerste onderzoek in 1948 was slecht. Maar het tweede onderzoek niet, Van Maaren is toen uitgebreid gecheckt. Door zijn naam kun je een streep zetten."

2. Lena Hartog-van Bladeren

Lena Hartog-van Bladeren (1897-1963) werd voor het eerst genoemd door de Oostenrijkse onderzoeksters Melissa Müller in het boek Anne Frank, de biografie. Lena was de vrouw van Lammert Hartog, die ook als magazijnknecht in het pand aan de Prinsengracht had gewerkt.

Volgens Müller maakte Lena zich ernstig zorgen over de veiligheid van haar man, omdat hij ergens werkte waar Joden waren ondergedoken. Dat, in combinatie met het hardnekkige maar nooit bewezen gerucht dat een vrouw de SD zou hebben gebeld, was voor Müller reden om aan te nemen dat Lena schuldig was.

Maar volgens Barnouw is Müller met de vrouwenstem als uitgangspunt ''op zoek gegaan naar een passende verdachte’’. Bovendien: "Haar man werkte in het pand. Die zou juist gevaar hebben gelopen om als medeplichtige te worden opgepakt. Het was veel te link om de politie te bellen."

3. Tonny Ahlers

Tonny Ahlers (1917-2000) was een Nederlandse nationaalsocialist en een leugenachtige en opschepperige crimineel. Hij kende Otto Frank al vanaf 1941. De naam van Ahlers als de beller werd genoemd in de in 2002 verschenen biografie van de Britse journaliste Carol Ann Lee over vader Otto. Maar alle beschuldigingen bleken te berusten op familievetes en hielden geen stand.

Barnouw: "De basis is de verklaring van zijn zoon, die op 7-jarige leeftijd zijn vader had horen bellen. En daar kom je dan 50 jaar later mee aan. Ongeloofwaardig."

Ook zijn als mogelijke verdachten genoemd: iemand in de Joodsche Raad van Amsterdam, SD’er Maarten Kuiper (kennis van Tonny Ahlers en een berucht Jodenjager), de NSB-vrouwen Ans van Dijk (de enige vrouw die na de oorlog wegens collaboratie werd gefusilleerd) en Branca Simons (veroordeeld tot levenslang maar in 1959 vrijgelaten).

Meer langere verhalen en achtergronden op NUweekend