De gordijnen waren dicht. Het bier stond koud. Mijn telefoon lag ergens onder een stapel kussens te doen alsof ik er niet was. En mijn favoriete joggingbroek lag al op de bank toen ik wakker werd: daar had ik ‘m de avond voor de Ronde neergelegd zodat ie alvast een beetje kon wennen.

Door Thijs Zonneveld

Daar kun je lacherig over doen, maar de Ronde van Vlaanderen kijken zonder de juiste joggingbroek is tot mislukken gedoemd. Een pantalon is te netjes, een spijkerbroek te alledaags, een rokje te Schots en een pyjama te koud. Op de bank hangen op de eerste zondag van april doe je in een joggingbroek. Bij voorkeur een oude aftandse.

Zo eentje die je twintig jaar geleden cadeau kreeg bij een weekendje Center Parcs. Zo eentje met een gat op je knie en verfspetters van die keer dat je probeerde zelf het plafond te witten. Zo eentje waarvan je je vriendin iedere zondag belooft dat je ‘m echt een keer weggooit. Zo eentje die precies is zoals de koers zelf dus: oud, versleten en besmeurd, maar je kunt er nevernooit zonder.

Mijn joggingbroek en ik, wij hingen gisteren. We hingen tijdens de voorbeschouwing en we turfden hoeveel keer de Belgen het woord Tomboonen in de mond namen (we raakten de tel kwijt na een minuut of vijf). We hingen tijdens de start en we lachten om dat lullige knalletje uit het startpistool. We hingen tijdens de eerste kilometers van de wedstrijd en we riepen 'Pas op achter je!' tegen iedere vluchter die tevergeefs probeerde om uit de klauwen van het peloton te blijven.

Geduld

We hingen door de anderhalf uur heen die niet werd uitgezonden vanwege bezuinigingen (waar kunnen we geld storten om dat verschrikkelijke onheil te voorkomen voor volgend jaar?). En daarna hingen we de eerste honderdtachtig wedstrijdkilometers door en vroegen we ons af met hoeveel trappisten de chauffeur van de neutrale wagen had ontbeten.

Om wielrennen te kijken heb je geduld nodig. Het kan ieder moment gebeuren, maar voor hetzelfde geld gebeurt er niks. Ondertussen iets anders doen is geen optie. Je verlaat de bank alleen om bier te halen en naar de wc te gaan (met de deur open, zodat je José en Michel nog steeds kunt horen praten). Verder moet je zitten, hangen en de koers ondergaan, samen met je joggingbroek. Je wacht. En je wacht. En als je klaar bent met wachten, dan wacht je nog een beetje.

Want hoe lang het wachten ook duurt: de koers ontploft altijd. Zelfs in Milaan-San Remo. Zelfs op het WK. Zelfs in de Ronde van Vlaanderen met die idiote nieuwe kermisparcourslusjes.

Uitgeteld

Toen de koers ontplofte merkte ik nog maar eens hoe nodig ik mijn joggingbroek had. Ik begon te bewegen. Heen en weer op de bank. Roepend. Eerst zachtjes, daarna steeds harder. Ik gebaarde als een Siciliaan in een verkeersopstopping. En hoe dichter Oudenaarde naderde, hoe meer ik begon te zweten; het was alsof ik smolt. Mijn hartslag liep op. Van 130 op de Kruisberg naar 160 op de Oude Kwaremont, naar 190 op de Paterberg en vér boven de 200 in de laatste kilometers.

Na de finish was ik uitgeteld. Ik keek met zware benen en nog zwaardere oogleden naar de nabeschouwingen, de analyses en de analyses van de nabeschouwingen. Daarna deed ik mijn joggingbroek uit en legde ‘m terug op het plankje in de kast. Ik streelde ‘m even voordat ik de kastdeur dichtdeed.

Volgende week moet ie weer aan de bak.