De rechtbank in Den Haag neemt komende woensdag een besluit of 'de kinderen van Sulawesi' recht hebben op een schadevergoeding. Hun vaders werden, soms voor hun ogen, in Indonesië eind jaren veertig door Nederlandse militairen zonder vorm van proces geëxecuteerd.

Andi Monji was een jongetje van tien jaar toen op 28 januari 1947 een groep Nederlandse militairen opdook in het dorpje Suppa in Zuid-Sulawesi, het tegenwoordige Zuid-Celebes. Hij zag hoe de soldaten een grote groep mannen uit hun huizen haalden en daarna doodschoten.

Meer dan tweehonderd lijken lieten de militairen achter. Onder de doden was de vader van Andi Monji. Die was voor zijn ogen geëxecuteerd.

Het jongetje van toen is nu een bejaarde man van 77 jaar en één van de vijf 'kinderen van Sulawesi', die een schadevergoeding van 20.000 euro eisen van de Nederlandse Staat.

Samen met lotgenoten Shafiah Paturusi (82) en Abdul Halik (76) verscheen hij vorig jaar augustus voor de rechtbank in Den Haag, die zich toen voor het eerst over het bloedbad boog dat het Nederlandse leger aanrichtte, nu ruim 68 jaar geleden.

Ook Paturusi was er getuige van dat haar vader, een ambtenaar, voor haar ogen werd geëxecuteerd. Die was het bos in gevlucht toen de soldaten waren verschenen, maar keerde later vrijwillig terug.

Wie er vandoor gaat, heeft iets te verbergen en is dus schuldig, zo was de redenatie van de militairen en ze schoten hem ter plekke dood. "We zijn gekomen om u te vertellen over het leed dat we hebben doorstaan", zei Paturusi tegen de rechters.

Tragedie van Rawagede

De zaak van de 'kinderen'  ligt in het verlengde van de Rawagede-tragedie, een dorp op West-Java waar Nederlandse soldaten in december 1947 ruim 430 mannen zonder pardon executeerden. In 2011 bepaalde de rechter dat Nederland een schadevergoeding moet betalen aan de nog levende weduwen van de doodgeschoten mannen in Rawagede.

De regeling gold later ook voor de vrouwen die in Sulawesi hun mannen hadden verloren, maar niet voor kinderen als Andi Monji die door het geweld vaderloos achterbleven.

Onterecht, vindt het Comité Nederlandse Ereschulden (Komite Utang Kehormatan Belanda), dat de procedure tegen de Nederlandse Staat namens de vijf aanspande. Hun positie als slachtoffer verschilt niet van die van de weduwen, stelt het comité, want "ze verloren hun vaders en waren daarvan ook getuige".

Advocate Liesbeth Zegveld, die de 'kinderen’ en het comité bijstaat:

''Het is heel erg als je je man verliest. Maar een vader verliezen is net zo erg, zo niet erger. Enkele kinderen, zoals Monji, hebben het ook nog voor hun eigen ogen zien gebeuren - ze waren toen tussen de drie en dertien jaar oud. Ik kan geen argument bedenken waarom zij niet in aanmerking zouden komen voor een schadevergoeding. Misschien hebben zij er juist wel meer recht op dan de weduwen."

'Rust en orde herstellen'

Nederland zette tussen 1945 en 1949 tweehonderdduizend militairen in om, wat indertijd werd genoemd, 'de rust en orde te herstellen’ in Nederlands-Indië. Na de capitulatie van de Japanners in augustus 1945 had Soekarno de onafhankelijke republiek Indonesië uitgeroepen. Nederland wilde de kolonie ten koste van alles behouden.

Het Depot Speciale Troepen (DST) onder leiding van kapitein Raymond Westerling ontpopte zich als de meest beruchte eenheid.

Westerling en zijn mannen hadden min of meer carte blanche gekregen om het onafhankelijkheidsstreven en het verzet tegen Nederland in Zuid-Sulawesi te breken en dat deden ze met meedogenloze zuiveringsacties. Onder het mom van noodrecht schoten militairen van het DST zonder proces duizenden mensen dood.

Pas vele jaren later deed voor het eerst een Indië-veteraan publiekelijk een boekje open over wat zich had afgespeeld in de voormalige kolonie.

In 1969 vertelde psycholoog Joop Hueting, eind jaren veertig dienstplichtig soldaat in Nederlands-Indië, in het VARA-programma Achter het Nieuws zijn verhaal: 

"We belandden in een kampong waar in het midden een huisje stond. Twee van onze jongens, een korporaal en een soldaat, gingen daar naar binnen en de korporaal schoot daar zijn pistoolmitrailleur leeg. Ik ging naar binnen en ik zag daar in het schemerdonker vijftien, twintig mensen, vrouwen, kinderen en mannen. Toen ik aan het donker gewend was, zag ik daar het spuiten van slagaderlijke bloedingen, het gegil, de doodsnood en de doodskreten van die mensen."

'Excessen'

Naar aanleiding van de tv-uitzending, die veel ophef veroorzaakte, liet de toenmalige regering van KVP-premier Piet de Jong in datzelfde jaar onderzoek doen naar de gebeurtenissen, die toen nog werden beschouwd als 'incidenten'.

Onder leiding van jurist en historicus Cees Fasseur kwam een lijst tot stand van 76 'excessen' - De Jong weigerde te spreken van oorlogsmisdaden.

Fasseur stelde op basis van archiefonderzoek - meldingen, tips en publicaties in de media - vast dat in Zuid-Sulawesi ruim 3100 mensen waren gedood door Nederlandse militairen en nog eens zo’n 700 door uiteenlopende politieonderdelen.

De Indonesiërs zelf meldden bij de Verenigde Naties een aantal van 40.000 doden, dat overigens door veel historici overdreven en propagandistisch wordt genoemd. Op Celebes zijn niettemin nog veel plaatsen die een Jalan 40.000 kennen: 'de straat van 40.000'.

Oorlogsmisdrijven

“Zonder de grenzen van je eigen onderzoek te kennen, zijn toen te snel conclusies getrokken.”
Advocaat Liesbeth Zegveld

Overdreven of niet, het archiefonderzoek van Fasseur was wel eenzijdig en verre van compleet, zegt advocate Liesbeth Zegveld. "Het had niet veel om het lijf." 

Fasseur sprak niet ter plekke met de mensen in de getroffen dorpen, wel in Nederland met voormalige militairen die bij de operaties betrokken waren geweest. "En die lieten natuurlijk niet veel los", zegt ze.

''Het was een onderzoek van staatswege en over 'de vijand'. Zonder de grenzen van je eigen onderzoek te kennen, zijn toen te snel conclusies getrokken."

Zegveld noemt de 76 excessen in Fasseurs onderzoek "een topje van de ijsberg". "Nederlandse militairen hebben op grote schaal oorlogsmisdrijven gepleegd." Ze was in maart vorig jaar zelf in Sulawesi en sprak met dorpsbewoners en overlevenden, bezocht daar begraafplaatsen en monumenten.

Het Excessenonderzoek van Fasseur zou overgedaan moeten worden, vindt ze. '"Want er is veel meer gebeurd", stelt ze vast op basis van de vele gesprekken die ze er voerde. En het gaat niet alleen om de bekende dorpen als Suppa en Rawagede, constateert ze. ''Er komen nog steeds nieuwe dorpen bij."

Dat is ook de reden van de weerbarstige houding van de Nederlandse overheid om een schadevergoeding te betalen aan de kinderen van doodgeschoten vaders, vermoedt Zegveld.

''Die vreest een stortvloed aan schadevergoedingen.’’ Maar, zo zegt ze, die vrees is nergens op gebaseerd. Veel geëxecuteerde vaders waren nog jong en hadden hooguit één of twee kinderen. En veel van die kinderen zijn, 68 jaar later, al niet meer in leven.

Dat hield de 82-jarige Shafiah Paturusi in augustus ook de Haagse rechtbank voor. "Voordat we sterven, hoop ik dat we rechtvaardigheid krijgen. Want u kunt aan onze gezichten zien dat we al oud zijn."

Meer langere verhalen en achtergronden op NUweekend