Afgelopen week vonden zeker vier Nederlandse jihadisten de dood bij aanvallen van de internationale coalitie op doelen van Islamitische Staat in Kobani en Raqqa (Syrië). Hoeveel er in het oorlogsgebied verblijven, weten we slechts bij benadering.

Het waren er vele tientallen en hun boodschap was duidelijk. De veelal jonge demonstranten die in september 2012 op het Museumplein protesteerden tegen de anti-islamitische film Innocence of muslims, staken niet onder stoelen of banken dat Osama bin Laden hun idool was.

Zijn naam klonk luid door het Amsterdamse centrum, de radicale moslims zwaaiden met jihadvlaggen en toonden een beeltenis van een andere held: Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh.

Ze kwamen uit heel Nederland en het was voor het eerst, zo beschrijft een AIVD-rapport, ''dat het grote publiek kon zien dat er sprake was van een nieuwe dynamiek in de Nederlandse jihadistische beweging’’.

Ruim twee jaar later kunnen we constateren dat de ontwikkelingen snel zijn gegaan.

Van radicalisme kijken we allang niet meer op. Er is een grote  kans dat van de aanwezigen op het Museumplein zelfs al enkelen zijn overleden, omgekomen in de strijd die Islamitische Staat voert om tot de oprichting van een kalifaat te komen.

Aangenomen tenminste dat een deel van hen tot de ongeveer tweehonderd jihadisten behoort die volgens cijfers van de AIVD vanuit Nederland naar Syrië zijn vertrokken. Van deze groep zijn er minstens 25 dood.

Werkelijk aantal is groter

Het werkelijke aantal Syriëgangers is groter, zegt directeur Edwin Bakker van het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme.

"Dat weet de Nederlandse overheid ook. Ze telt alleen de mensen mee van wie ze zeker weet dat ze daadwerkelijk zijn aangekomen en zich bij een jihadistische groepering hebben aangesloten. Een groeiende groep probeert echter buiten het zicht van de veiligheidsdiensten te blijven."

"De eerste jihadisten stuurden bij aankomst nog foto’s en filmpjes rond waarop ze met een kalasjnikov poseerden. Nu ze weten dat ze bij terugkomst kunnen worden opgepakt en veroordeeld, laten ze dat na."

"Zolang ze niet mailen of appen, of enkel via encryptie met anderen communiceren, blijven ze onder de radar. Ik zou niet weten of je het cijfer van tweehonderd nu met anderhalf of met twee moet vermenigvuldigen om tot het werkelijke aantal te komen."

Driekwart van de strijders is van Marokkaanse komaf, ongeveer 15 procent is vrouw. Ze zijn over het algemeen jong, soms zelfs minderjarig.

Velen zijn volgens Bakker op zoek naar zingeving in hun leven. "De meesten hebben problemen, met familie of de overheid. In Syrië en Irak kunnen ze, in hun ogen, voor iets moois strijden. Het beeld van kameraadschap, samen heldhaftige dingen doen, is dan aantrekkelijk."

Realiteit valt tegen

Toch valt de realiteit vaak tegen. Bakker schept het beeld van strijders die als stoere jongens afreizen en flink schrikken van de situatie waarin ze terecht komen.

De meesten lijken in niets op de drie Nederlanders die tot nu toe een zelfmoordaanslag hebben gepleegd, meest recent een Maastrichtenaar die zichzelf in november opblies op een politiebureau in Bagdad.

''De Syriëgangers zijn echt niet allemaal geharde radicalen die nergens voor terugdeinzen. Er zijn maar weinig  mensen die niet bang zijn voor de dood. Zeker als je aan het front de meest verschrikkelijke dingen om je heen ziet gebeuren, krijg je toch angst. Sommigen keren dan ook getraumatiseerd terug."

35 terug in Nederland?

Vooralsnog zijn er volgens de officiële cijfers 35 terug in Nederland. Verrassend genoeg zijn dit niet de mensen voor wie Bakker het meest bang is.

''Je  moet strafrechtelijk optreden tegen mensen die voor IS of aan Al-Qaeda gelieerde organisaties hebben gevochten, want dat kunnen we niet tolereren. Door de aanslagen in Toulouse, Verviers en het Joods Museum in Brussel ontstaat echter het beeld dat teruggekeerde jihadisten het grootste gevaar vormen", zegt Bakker. 

"Natuurlijk  moet je er rekening mee houden dat sommigen de strijd hier willen voortzetten, maar ik denk niet dat het daadwerkelijk voor iedereen geldt. In het verleden hebben ook Nederlanders in Bosnië, Somalië, Afghanistan en Tsjetsjenië gestreden van wie we later niets meer hoorden."

"Het gevaar is wel dat teruggekeerde jihadisten minimaal een basistraining hebben gehad. Ik weet niet of sommigen ook worden opgeleid om bommen te maken, maar we hebben gezien wat je al kunt aanrichten als je een kalasjnikov goed bedient."

Toch heeft Bakker meer zorgen om de radicalen die niet afreizen. "Deze groep bestaat in Nederland uit enkele honderden mensen, daarnaast zijn er nog duizenden die sympathie hebben voor hun gedachtegoed. Door de oproepen die hen vanuit het Midden-Oosten bereiken om in het westen aanslagen te plegen, kan het zo maar zijn dat een enkeling daadwerkelijk tot actie overgaat." 

"Van Syriëgangers weten we vaak meer. Soufian Z., een van de vier omgekomen Nederlanders van afgelopen week, ging erheen om te strijden. Daar kun je alles van vinden, maar hij was begaan met wat daar gebeurde. Maar wat is de agenda van de mensen die hier zijn?"

Komende jaren

Bakker vermoedt dat we de komende jaren nog veel met de radicale moslims te stellen zullen hebben.

"Het ligt natuurlijk deels aan de ontwikkelingen in Irak en Syrië. De ruimte van IS lijkt kleiner te worden. Maar zelfs als de strijd daar stopt, moeten de jihadisten ergens heen. Ondertussen is het van belang dat we in Nederland de eenheid bewaren."

Bakker: "We moeten ons weerbaar tonen, daarmee maken we het ze moeilijk. Het gaat terroristen niet om het aantal doden, maar om verdeeldheid in de samenleving. Als ze met een aanslag het tegenovergestelde bereiken, zoals met Charlie Hebdo, wordt het oninteressant voor ze."

Meer langere verhalen en achtergronden op NUweekend