Na 175 jaar komt er een einde aan het reizen met een papieren treinkaartje. Wie vanaf 9 juli met de trein wil, moet een OV-chipkaart gebruiken. Het is de grootste wijziging in de geschiedenis van het vervoerbewijs.

Door de jaren heen is het papieren vervoerbewijs wel van uiterlijk veranderd, maar het principe is altijd hetzelfde gebleven.

Het was een kaartje waarop het opstappunt, de eindbestemming en de datum staat. Een tastbaar bewijs van een treinrit, dat nu verdwijnt.

Al vanaf de eerste treinreis in Nederland werd gebruik gemaakt van het papieren vervoerbewijs. In september 1839 konden reizigers over de eerste spoorlijn treinen tussen Amsterdam en Haarlem. Daar kwam tussenstation Halfweg bij, omdat de directie van de toenmalige Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij daar was gevestigd. 

De treinkaartjes waren net zo groot als een vloeipapiertje, alleen wat dikker. Ze werden geknipt uit grote vellen papier met daarop het begin- en eindpunt van de reis. De bestemmingen waren voorgedrukt, de juiste datum werd ter plekke gestempeld. Voor het traject Amsterdam - Haarlem werden in het eerste jaar ongeveer 77.000 kaartjes verkocht.

Zwartrijden

Er kon gekozen worden tussen drie verschillende klassen, die werden vermeld op de kaartjes. Doordat een groot deel van de Nederlandse bevolking in die tijd niet kon lezen, gingen de meeste mensen in het meest luxueuze gedeelte van de trein zitten, terwijl ze daar niet voor betaald hadden.

Op die manier werd voor het eerst zwartgereden, aangezien er ook reizigers waren die zich voordeden als analfabeet. Daar werd vrijwel meteen een antwoord op gevonden door alle rijtuigen verschillende kleuren te geven.

In 1842 werd de spoorlijn doorgetrokken tot Leiden, daarna volgde Den Haag en uiteindelijk ook Rotterdam (1847). Voor al die stations werden kaartjes voorgedrukt, die aan het einde van de rit ingeleverd dienden te worden. De stationschef controleerde of alle gekochte kaartjes wel klopten. Dit beroep was zo belangrijk, dat er een borg van 5.000 gulden betaald moest worden om de functie te krijgen.

Edmondson

Het innemen van alle kaartjes werd op een gegeven moment te omslachtig vanwege de toename van stations en reizigers. Op een gegeven moment werden er miljoenen kaartjes verkocht, die allemaal handmatig werden uitgeknipt. Daarom deed in 1857 het Edmondson-kaartje zijn intrede.

De Engelse uitvinder Thomas Edmondson bedacht in 1840 een machine die grote aantallen voorgedrukte kartonnen kaarten kon produceren. De uitvinding werd snel opgepikt door spoorbedrijven in andere landen en in 1857 dus ook in Nederland.

Het systeem maakte het makkelijk om in groten getale kaarten voor te drukken en te verspreiden. Geen overbodige luxe, omdat in 1860 de Nederlandse regering zorgde voor een staatsspoornetwerk door het hele land. Elk station kreeg een voorraad kaarten met trajecten die het meest werden verkocht. Later kregen de grote stations een eigen machine die snel het gewenste kaartje kon afleveren.

Omstreeks 1875 begonnen de spoorwegen met het lokken van de reiziger met kortingskaarten en speciale aanbiedingen. Zo waren er speciale tarieven voor plezierreisjes en voor kinderen.

Perronkaart

125 jaar lang is na de komst van het Edmondson-kaartje niets veranderd aan het vervoerbewijs. Reizigers kochten bij het loket een kaartje, controleurs knipten er bij de ingangscontrole een stationscode in, en in de trein werd een gaatje geknipt door de conducteur.

In de tweede helft van de twintigste eeuw konden kaartjes op een select aantal stations ook uit een automaat gehaald worden.

Verder werd rond de eeuwwisseling de perronkaart geïntroduceerd, zodat mensen die geen treinreis maakten iemand konden wegbrengen of ophalen. Dat werd eind jaren 60 weer afgeschaft, omdat het te omslachtig werd om daar speciaal een kaartje voor uit te geven. Het perronkaartje is wel kortstondig terug geweest in de jaren 80 en 90, omdat het te onveilig werd op stations.

Daarnaast werd in de jaren 60 op een aantal trajecten de rolkaart geïntroduceerd. De conducteur kon een kaartje uitdraaien met een apparaat dat op de borst hing. Ze werden vooral in bussen en trams gebruikt, maar voor de trein bleek het een experiment van korte duur.

De reden dat dit systeem geen lang leven was beschoren is niet bekend, maar waarschijnlijk wilden de Nederlandse Spoorwegen dat het treinkaartje overal op dezelfde manier gedrukt en verkocht werd.

Computer

Sinds 1982 worden kaartjes uitgeprint met een computer. De verkoop werd geautomatiseerd en klanten konden bij de automaat hun vervoerbewijs halen. Loketten bleven bestaan, maar het werden er wel steeds minder. 

Bij de automaat toetsten mensen het nummer van een treinstation in om zo hun bestemming aan te geven, waarna er een geprint kaartje uit kwam. Dat ging in het begin met een hoop gepruttel, later werkte het systeem geruisloos. Tegenwoordig kunnen reizigers met een aanraakscherm een kaartje kopen in de automaat.

Wennen

Het computer-geprinte kaartje bestaat nog steeds, maar deze vorm beleeft zijn laatste dagen. De NS heeft de reiziger sinds 2009 laten wennen aan de OV-chipkaart en heeft het afschaffen van het papieren kaartje meerdere malen uitgesteld. Maar in het 175e jubileumjaar van de spoorwegen gaat het er echt van komen.

Mensen die in de toekomst af en toe met de trein reizen en daar graag een tastbaar bewijs van willen, kunnen kiezen voor een papieren chipkaart voor eenmalig gebruik. Voor die nostalgie moet wel een prijs worden betaald: een toeslag van 1 euro, en er kan niet met korting gereisd worden.

Bronnen: Het Spoorwegmuseum, Nederlandse Spoorwegen

Meer langere verhalen en achtergronden op NUweekend