Amerikaanse en Iraanse diplomaten hebben maandag met elkaar gesproken over mogelijke samenwerking in Irak. De toenadering tussen beide landen is opmerkelijk. 

Washington en Teheran zijn al 35 jaar elkaars aartsvijanden. Hun belangen om de opmars van de radicale soennitische beweging Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS) te stoppen, zijn echter zo groot dat ze de strijdbijl voor even lijken te begraven. Zowel Washington als de regionale sjiitische grootmacht Iran is gebaat bij een stabiel Midden-Oosten.

Irans afkeer van Amerika vindt zijn oorsprong in 1953. Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten brachten in 1953 de democratisch gekozen premier Mohammed Mossadeq ten val. De populaire Mossadeq had Britse olieondernemingen in Iran genationaliseerd.

Het ingrijpen betekende een kentering in de westerse politiek in het Midden-Oosten. De Amerikanen vervingen er definitief de Britten als voornaamste westerse speler en begonnen zich intensief met de regio te bemoeien. In Iran hielpen ze Mohammed Reza Pahlavi weer in het zadel, de pro-westerse sjah van Perzië die moest vluchten na een conflict met Mossadeq.

Met Amerikaanse hulp lanceerde de sjah in 1963 een hervormingsprogramma voor betere gezondheidszorg, de emancipatie van vrouwen en de bestrijding van analfabetisme.

Het corrupte en repressieve regime van de sjah werd echter nooit populair, onder meer doordat de enorme oliewinsten vooral bij een kleine elite rond de sjah terechtkwamen.

Terwijl die zich verrijkte, leefde een groot deel van de bevolking in armoe. Geestelijken richtten hun pijlen vooral op de in hun ogen verderfelijke, op Westerse leest geschoeide hervormingen van de sjah.

Meer vrijheden

In de jaren 70 begon het Iraanse volk zich meer en meer te verzetten tegen de onderdrukking. Op aandringen van de Amerikaanse president Jimmy Carter gaf de sjah zijn volk meer vrijheden, maar dat bleek te laat.

Opgezweept door preken van ayatollay Ruhollah Khomeini, die op bandjes via moskeeën en bazars in heel Iran werden verspreid, kwamen Iraniërs massaal in opstand: de Iraanse Revolutie was een feit. Op 16 januari 1979 vluchtte de sjah het land uit.

Twee weken later keerde Khomeini uit ballingschap terug en vestigde hij de eerste islamitische republiek ter wereld. 

Al snel bleek dat de aartsconservatieve Khomeini over alles het laatste woord had. Toen Iraanse studenten op 4 november 1979 het personeel van de Amerikaanse ambassade in Teheran gijzelden, deden ze dat met toestemming van de ayatollah.

Ordediensten grepen niet in. De studenten eisten onder meer de uitlevering van de sjah, die naar Amerika was gevlucht. Een door Washington geplande geheime reddingsactie faalde jammerlijk toen meerdere helikopters neerstortten.

De gijzelaars kwamen pas na 444 dagen vrij op 21 januari 1981, de dag dat president Ronald Reagan de eed aflegde als nieuwe president. Washington moest daarvoor wel bevroren Iraanse tegoeden vrijgeven. De Amerikaanse diplomatieke betrekkingen met Teheran waren al verbroken.

'Grote satan' Amerika

Irans afkeer van 'grote satan' Amerika nam in de jaren 80 verder toe. Washington steunde de Iraakse dictator Saddam Hussein bij diens oorlog tegen buurland Iran, waarbij tussen 1980 en 1988 ongeveer een miljoen doden vielen. Een winnaar leverde het conflict echter niet op.

In de zomer van 1988 schoot een Amerikaans fregat per ongeluk een Iraans passagiersvliegtuig uit de lucht.  Alle 290 passagiers, de meeste op pelgrimstocht naar Mekka, kwamen daarbij om het leven. Volgens de kapitein zag zijn bemanning het vliegtuig aan voor een straaljager.

In de eerste jaren van de 21e eeuw werden de Amerikaans-Iraanse betrekkingen gedomineerd door twee conservatieve haviken. President George W. Bush rekent Iran tot de ''as van het kwaad".

Toen uitlekte dat Iran nucleaire faciliteiten bouwde, beschuldigde Washington Teheran van het illegaal ontwikkelen van nucleaire wapens. Iran ontkende, maar de nucleaire waakhond van de VN stelde het land onder toezicht.

Het regime in Teheran werkte soms mee maar vaker tegen, zeker toen in 2005 de hardliner Mahmoud Ahmadinejad aan de macht kwam. Hij verdedigde fel het recht van zijn land op de ontwikkeling van kernenergie en trok geregeld van leer tegen 'grote satan' Amerika en 'kleine satan' Israël.

Irans gebrek aan openheid over zijn nucleaire activiteiten kwam het land op internationale sancties te staan.

Rustiger vaarwater

Met de verkiezing van de hervormingsgezinde Rohani in 2013 is Iran in rustiger internationaal vaarwater gekomen. Rohani bekritiseert de atoompolitiek van zijn voorganger Ahmadinejad en belooft het Iraanse volk een einde aan de internationale sancties.

Tijdens een bezoek aan de VN in New York belde hij zelfs met president Barack Obama: het eerste contact tussen een Iraans en een Amerikaans staatshoofd in 30 jaar.

In november 2013 kwam er volgens Paul Aarts, docent internationale betrekkingen aan de UvA, een ''echte doorbraak". Onderhandelaars van beide landen sloten een akkoord over het nucleaire programma van Teheran: Iran mag uranium blijven verrijken, maar tot een lager niveau. In ruil daarvoor worden internationale sancties versoepeld.

Volgens Aarts is het altijd Iran dat Amerika de hand reikt, niet andersom. ''We moeten niet vergeten dat Amerika nog steeds absolute voorstander is van sancties, ook al zijn die recent wat verzacht." Het is nu afwachten in hoeverre Obama bereid is tot samenwerking met Iran om ISIS uit te schakelen.

Meer langere verhalen en achtergronden op NUweekend