Als het wantrouwen richting de Europese Unie aanhoudt kan het vroeg of laat gedaan zijn met de Europese eenwording. Dat zeggen diverse politicologen over het afkalvende draagvlak voor het Europese project.

"Een waanzinnige kan burgers het hoofd op hol brengen", stelt Rinus van Schendelen, politicoloog aan de Erasmus Universiteit, vooral refererend aan Geert Wilders.

De PVV-leider slaagt er samen met de SP in om Eurokritische burgers achter zich te krijgen, maar ook elders in Europa neemt het anti-geluid toe.

De partijen appelleren aan een gevoel dat de EU tegen de zin van burgers doorwalst richting een centralistische staat, waarbij de lidstaten al hun macht uit handen hebben gegeven.

Volgens Van Schendelen brengen de anti-EU-tirades de hoofden in Den Haag dusdanig op hol dat nog slechts enkele politici zich openlijk durven in te spannen voor de belangen van Nederland in Europa.

Hij merkt de onvrede hierover niet alleen bij burgers, maar ook bij maatschappelijke organisaties.

"Ik spreek veel bedrijven, onderwijsinstellingen en andere belangengroepen die daarover klagen. Die zien namelijk wel het belang van Europese samenwerking. Ik roep die organisaties dan ook op om luider richting burgers in hun huiskamers aan te geven wat zij allemaal aan Europa hebben te danken."

In plaats daarvan zijn politici volgens hem nu vooral de gedachten en retoriek van de anti-Europapartijen aan het overnemen.

Brussel mijden

Carolien van Ham, politicoloog aan de Universiteit Twente, is dit met hem eens. "Ook nu blijven politici de discussie mijden om hun handen niet te branden aan het impopulaire Brussel", stelt ze.

"Als je Wilders alleen maar neerzet als een sukkel kom je nergens. Leg maar uit waarom Europa goed voor ons is en ga de discussie maar aan hoe Europa democratischer kan worden vormgegeven. Slimme politici zijn Wilders voor en wachten niet tot de PVV een echte factor van belang is."

Volgens Van Ham laten mensen nu hun onvrede blijken door een proteststem uit te brengen, maar ook door zich af te keren en niet te gaan stemmen.

Dit is volgens haar te verklaren doordat mensen denken dat de verkiezingen weinig invloed hebben op hun eigen leven. Ook wordt er weinig serieus campagne gevoerd en zijn de verschillen tussen de partijen beperkt.

"De verschillen tussen de partijen worden dankzij de anti-EU-partijen wel duidelijker, maar een spannende strijd zoals tussen de VVD en de PvdA bij de landelijke verkiezingen zien we niet", aldus Van Dam.

Gebrek aan visie

Volgens Cas Mudde, politicoloog aan de universiteit van Georgia, komt het euroscepsisme voort uit het gebrek aan visie bij pro-EU-partijen, met uitzondering van D66. "Het gebrek aan Europese visie is geen consequentie van de groei van Euroscepsisme, maar juist de oorzaak ervan", stelt hij.

"Waarom zouden burgers in 'Europa' geloven als hun leiders niet kunnen uitleggen wat er goed aan is?"

Wouter van der Brug, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam, ziet het gebrekkige democratische gehalte van de Europese Unie als een bron voor wantrouwen.

"Alle maatregelen die de afgelopen twintig jaar zijn genomen in de richting van Europese eenwording hebben geen enkele democratische legitimiteit", aldus Van der Brug.

"De burger heeft nooit een mandaat gegeven voor de euro en zit nu met de gebakken peren. Zowel de Grieken die voelen dat ze betalen voor het redden van Duitse banken als de Noord Europeanen die vinden dat ze opdraaien voor de crisis in Zuid Europa. Overal heerst onvrede."

Democratisch tekort

Volgens Van der Brug kan het democratische tekort niet worden verholpen door het Europees Parlement meer invloed te geven op de Europese besluitvorming.

"De belangrijkste taak van een parlement is om in openbaarheid controle uit te voeren op de regering. Maar er is geen Europese regering en ook geen openbaarheid, want alles wordt nu in schimmigheid door de lidstaten besloten."

Om het democratisch tekort te verkleinen zouden juist nationale parlementen een grotere rol moeten spelen, aldus Van der Brug.

Ook moet de Europese Commissie wat hem betreft niet bestaan uit 28 commissarissen van evenveel landen, maar een coalitieregering vormen op basis van een meerderheid in het Europees Parlement zoals in de lidstaten. Dan zouden Europese verkiezingen meer betekenis krijgen.

Geen draagvlak

Van Ham deelt de mening dat nationale parlementen scherper de Brusselse besluitvorming moeten kunnen controleren, maar een Europese Commissie als coalitieregering gaat haar veel te ver.

Volgens haar begint de EU in dat geval wel heel erg op een federale staat te lijken en daar is volgens haar totaal geen draagvlak voor.

"Dan zijn we de facto één land en dat willen de meeste Europeanen niet. Want we willen niet dat een land als Italië meebeslist over ons pensioenstelsel", stelt ze.

"Laten we de samenwerking in Europa beperken tot terreinen waar die samenwerking voordelen oplevert."

Toch verwachten de politicologen niet dat het afkalvende draagvlak er voor zal zorgen dat de Unie uit elkaar valt. "Geen land in Europa kan zich in de grote wereld alleen redden en de maatschappelijke steun voor Europa is nog altijd substantieel", aldus Van Schendelen.

Meer langere verhalen en achtergronden op NUweekend