UEFA-voorzitter Aleksander Ceferin heeft maandag laten doorschemeren dat er voorlopig geen videoscheidsrechters worden ingezet bij wedstrijden in de Champions League.

"We zullen de video-assistenten het komend seizoen niet gebruiken in de Champions League. We zijn niet per definitie tegen het middel, maar ik zie over en weer nog te veel verwarring", aldus de Sloveen tijdens het jaarlijkse congres van de Europese voetbalbond in Bratislava.

Wel houdt Ceferin er rekening mee dat de internationale spelregelcommissie IFAB komende zaterdag de video-arbiter officieel toevoegt aan de spelregels, hoewel er bij voetbalbonden en clubs nog volop discussie woedt over het middel.

FIFA-voorzitter Infantino verschilt van mening met de UEFA en wil werk maken van invoering van video-arbitrage.

In Nederland wordt al enige jaren bij wijze van proef gebruikgemaakt van de videoscheids bij wedstrijden in de KNVB-beker. Beide wedstrijden in de halve finale komende woensdag worden ook bekeken door een videoscheidsrechter.

Scheefgroei

Ceferin wil de scheefgroei in het Europese clubvoetbal tegengaan. Hij kondigde maatregelen aan om de dominantie van een groepje eliteclubs aan te pakken, maar de voetbalbonden mogen volgens hem geen wonderen verwachten.

"We moeten meer balans zien te vinden in de competities en ik beschouw dat als een van de grootste uitdagingen, maar ik vrees dat clubs als Steaua Boekarest of Rode Ster Belgrado niet gauw hun naam zullen graveren in de bokaal van de Champions League", zei Ceferin.

De Champions League is de laatste jaren het domein van een handvol steenrijke topclubs, voornamelijk afkomstig uit Engeland, Spanje, Frankrijk en Duitsland. De clubs uit kleine competities, zoals de Eredivisie, tellen nog nauwelijks mee.

"We moeten durven onze modellen te veranderen om meer balans te vinden tussen de competities, maar de UEFA is geen bank. Ik ben ook geen handelaar in dromen."

Het Roemeense Steaua Boekarest - de voorganger van FCSB - (1986) en het Servische Rode Ster (1991) wonnen als Oost-Europese clubs aan het einde van de vorige eeuw de Europa Cup I.

Prijzengeld

De UEFA maakte maandag tot slot bekend dat het prijzengeld voor het EK 2020 371 miljoen euro bedraagt. Dat is 70 miljoen meer dan bij het laatste EK in 2016 in Frankrijk.

Het komende EK wordt verspreid over twaalf organiserende landen, waaronder Nederland. De winnaar van het toernooi mag 34 miljoen euro op de rekening bijschrijven. Elk van de 24 deelnemende landen krijgt een startpremie van 9,25 miljoen euro, ruim een miljoen meer dan in 2016.

De UEFA heeft over het afgelopen boekjaar een verlies geleden van 6,7 miljoen euro. De omzet steeg tot een nieuw record van 2,38 miljard euro.

Verwacht wordt dat dit in het seizoen 2018/2019 stijgt naar 3,9 miljard. Die stijging wordt volgens de bond veroorzaakt door invoering van de Nations League en de nieuwe opzet van de Champions League.

UEFA-penningmeester Josef Koller meldde dat de bond het verlies uit eigen middelen aanvult. Op de spaarrekening van de federatie staat 626 miljoen euro.