De manier waarop een Europese regel tot stand komt, verschilt van de manier waarop nationale wetten en regels tot stand komen. Hoe steekt dat allemaal in elkaar?

Hoe een Europees besluit wordt genomen, is vaak lastig te volgen. Er komen veel verschillende instituten bij kijken, en het proces bestaat uit kleine stapjes die vaak niet altijd even duidelijk te volgen zijn.

Maar ook het Europese wetgevingsproces gebeurt volgens een vast proces. NU.nl zet de belangrijkste punten op een rijtje.

Er zijn verschillende soorten besluiten.

Europese besluiten komen in een aantal soorten en maten; zo zijn er zijn verordeningen, richtlijnen, besluiten, aanbevelingen en adviezen. Alleen die eerste twee hebben een bindend effect.

Aanbevelingen en adviezen zijn vooral een manier voor de Europese instituten om hun mening te geven of een advies te geven over hoe er bijvoorbeeld een bepaald doel behaald kan worden.

Een Europese verordening is de meest directe manier voor de EU om invloed uit te oefenen op de lidstaten: de verordening is direct van toepassing op alle Europese lidstaten en hoeft niet omgezet te worden naar een nationale wet. Vaak zijn verordeningen vrij technisch, zoals bijvoorbeeld regels op het gebied van voedseletiketten.

Een Europese richtlijn werkt iets anders. Hierin wordt het doel wel vastgelegd door de Europese Unie, maar de manier waarop dat doel behaald moet worden, mag door de lidstaten zelf worden ingevuld.

Elk besluit start bij de Commissie.

De Europese Commissie is altijd als eerste aan zet. Anders dan in onze nationale politiek kan alleen de Commissie nieuwe Europese regels voorstellen; het Europees Parlement (EP) en de Raad van Ministers kunnen alleen amenderen, goedkeuren of afkeuren.

De Europese Commissie bestaat niet zoals onze eigen ministerraad uit ministers van de coalitiepartijen, maar uit 28 afgevaardigden; uit elke lidstaat één. Er zijn daarom geen regeringsplannen met een vaste meerderheid in het EP.

De Commissie doet voorafgaand aan het voorstel uitgebreid onderzoek onder de lidstaten, bedrijven en andere belanghebbende instellingen, zodat het niet steeds met vruchteloze voorstellen komt. Zo'n onderzoek kan wel maanden tot jaren duren.

Het Europees Parlement werkt samen met de Europese ministers.

Wanneer een besluit van de Commissie eindelijk af is, komt het bij de Raad van Ministers en het Europees Parlement. Waar vroeger de Europese ministers vaak alleen besloten over de meeste onderwerpen, moet tegenwoordig in vrijwel alle gevallen ook de Europese volksvertegenwoordiging worden geraadpleegd.

De Raad van Ministers en het Europees Parlement besluiten dus bijna altijd samen wat er gebeurt met een voorstel van de Commissie. Alleen bij de meer gevoelige onderwerpen, zoals het aanpassen of invoeren van een verdrag, heeft het EP minder macht.

Het voorstel wordt vaak een paar keer heen en weer gestuurd.

Het Europees Parlement moet als eerste stemmen over een voorstel van de Commissie. Dat gebeurt nadat het voorstel is bekeken door een parlementaire commissie (niet te verwarren met de Europese Commissie), een soort werkgroep van gespecialiseerde Europarlementariërs.

Het Parlement kan het voorstel goedkeuren of amenderen, waarna de Raad van Ministers het voorstel bekijken. Zijn zij het eens met het EP, dan wordt het voorstel aangenomen. Zijn ze het niet eens, dan sturen de ministers hun eigen standpunt terug naar het Parlement, die vervolgens de versie van de Europese ministers weer bekijkt.

Dit worden de zogenoemde Lezingen genoemd: wanneer het EP en de ministers het voorstel voor het eerst bekijken, wordt dat de Eerste Lezing genoemd. Er zijn maximaal drie lezingen. Lukt het het Parlement en de Commissie niet om het binnen drie lezingen eens te worden, dan is het voorstel mislukt.