De Raad van State heeft woensdag geoordeeld dat de registratieplicht voor raamprostituees in Utrecht onrechtmatig is. De gemeente wilde die plicht opnemen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), maar de Raad van State stelt haar in het ongelijk.

Toenmalig burgemeester Jan van Zanen vroeg de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) in 2016 toestemming voor een registratieplicht voor raamprostituees in de stad. De AP weigerde de toestemming, omdat deze plicht onrechtmatig zou zijn: het structureel verwerken van persoonsgegevens is wettelijk niet toegestaan.

In 2018 ging de gemeente tegen het besluit van de AP in beroep, maar de rechtbank Den Haag verklaarde het beroep vorig jaar ongegrond. Omdat de burgemeester vervolgens in hoger beroep ging tegen de uitspraak van de rechtbank, behandelde de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de zaak op 30 november dit jaar. Die vindt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de AP de gemeente Utrecht terecht geen ontheffing heeft gegeven.

De gemeente wilde dat prostituees zich bij de gemeente Utrecht zouden laten registreren. Daarmee wilde de burgemeester toezicht kunnen houden op de branche en moesten mensenhandel en uitbuiting worden voorkomen.

"Dit (de uitspraak, red.) is teleurstellend gezien het belang van het registratieproces voor de doelstelling van de gemeente om veilige en transparante raamprostitutie in de stad te realiseren", aldus burgemeester Sharon Dijksma.