De gemeente Utrecht zegt weinig middelen te hebben om het opkopen van particuliere woningen door beleggers en investeerders tegen te gaan. Wel maakt de gemeente zich naar eigen zeggen zorgen over dit fenomeen.

Eind oktober vroegen de Utrechtse afdelingen van GroenLinks en D66 om opheldering over het opkopen van Utrechtse huizen. Investeerders en beleggers zouden brieven versturen naar woningeigenaren met daarin de vraag of zij het vastgoed konden overkopen.

De gemeente zegt dat dit geen goede zaak is omdat het aannemelijk is dat deze woningen worden opgekocht voor de verhuur, ook wel buy-to-let genoemd. "Een toename van buy-to-let kan leiden tot prijsopdrijving van woningen en daarmee tot een verslechtering van de positie van de koopstarter en van de toekomstige huurders van deze woningen."

In opdracht van de gemeente heeft het Kadaster een onderzoek uitgevoerd naar dit fenomeen. Daarin staat dat in 2013 het aandeel van private verhuurders in alle woningaankopen 11 procent was. In 2019 was dit gestegen naar 24 procent.

Daarnaast is gebleken dat buy-to-let een direct effect heeft gehad op de prijsstijging van woningen. Zo zouden starters bijna geen woning meer kunnen kopen voor minder dan 220.000 euro. Uit informatie van het Kadaster blijkt zelfs dat momenteel 46 procent van de Utrechtse koopstarters meer dan 350.000 euro betaalt voor een eerste woning.

Bij nieuwbouw zijn er echter wel mogelijkheden om investeerders en beleggers buiten de deur te houden. Zo is er bijvoorbeeld een zelfbewoningsplicht die ervoor zorgt dat een huis alleen bewoond mag worden door de koper. Daarnaast zorgt het antispeculatiebeding ervoor dat een woning pas na vijf jaar doorverkocht mag worden.